Hoofdtekst
De man zonder kop
Een koopman uit Berg-Urmond was tot het vallen van de avond in Stokkem gebleven en wilde zich nu laten overzetten. De veerman die aan de Stokkemerzijde van de Maas woonde, en wel aan de voet der wallen van het kasteel waaraan zeven prinsbisschoppen van Luik zich doodbouwden, wilde hem niet overzetten en waarschuwde hem voor de man zonder kop. De koopman spotte ermee: 'Zonder tanden zal hij mij niet bijten.' Eindelijk liet de veerman zich toch bepraten en zette hem over. 'Ik zal het doen, maar ik was mijn handen in onschuld; ik wil er geen schuld aan hebben en gij moet het mij niet wijten, wat u overkomt!'
De koopman vervolgde in het eerst rustig zijn weg, maar plotseling zag bij een reusachtige gedaante naast zich: hij stond stil, de gedaante ook. Hij wilde de veerman roepen; er belette hem iets de mond te openen. Toen hij het waagde de gedaante aan te zien zag hij, dat
zij wel vijf meter hoog was en stomp eindigde in een paar brede schouders. Verschrokken, nu toch de man zonder kop te hebben ontmoet, keek hij naar de voeten van het monster en zag twee paardepoten.
Het werd hem nu toch te griezelig. Hij was niet bang van aard en probeerde zijn weg te vervolgen; de gedaante bleef naast hem. Tot hij zich herinnerde dat het in zulke omstandigheden goed is het Sint-Jans Evangelie te bidden. Hij bad het en toen hij kwam aan de
woorden: 'en het Woord is Vlees geworden', verdween het spooksel met een afschuwelijk gehuil en met achterlating van een helse stank.
Een koopman uit Berg-Urmond was tot het vallen van de avond in Stokkem gebleven en wilde zich nu laten overzetten. De veerman die aan de Stokkemerzijde van de Maas woonde, en wel aan de voet der wallen van het kasteel waaraan zeven prinsbisschoppen van Luik zich doodbouwden, wilde hem niet overzetten en waarschuwde hem voor de man zonder kop. De koopman spotte ermee: 'Zonder tanden zal hij mij niet bijten.' Eindelijk liet de veerman zich toch bepraten en zette hem over. 'Ik zal het doen, maar ik was mijn handen in onschuld; ik wil er geen schuld aan hebben en gij moet het mij niet wijten, wat u overkomt!'
De koopman vervolgde in het eerst rustig zijn weg, maar plotseling zag bij een reusachtige gedaante naast zich: hij stond stil, de gedaante ook. Hij wilde de veerman roepen; er belette hem iets de mond te openen. Toen hij het waagde de gedaante aan te zien zag hij, dat
zij wel vijf meter hoog was en stomp eindigde in een paar brede schouders. Verschrokken, nu toch de man zonder kop te hebben ontmoet, keek hij naar de voeten van het monster en zag twee paardepoten.
Het werd hem nu toch te griezelig. Hij was niet bang van aard en probeerde zijn weg te vervolgen; de gedaante bleef naast hem. Tot hij zich herinnerde dat het in zulke omstandigheden goed is het Sint-Jans Evangelie te bidden. Hij bad het en toen hij kwam aan de
woorden: 'en het Woord is Vlees geworden', verdween het spooksel met een afschuwelijk gehuil en met achterlating van een helse stank.
Beschrijving
Een koopman wil zich laten overzetten, maar de veerman waarschuwt hem voor de 'man zonder kop'. De koopman zegt echter niet bang te zijn. Aan de overkant komt hij echter wel degelijk een gigantische gestalte tegen: een reus van vijf meter met paardenpoten als voeten. De koopman bidt het Sint-Jans Evangelie en het spook verdwijnt, een helse stank achterlatend.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van juffers en gedaanten zonder kop'.
Naam Overig in Tekst
Berg-Urmond   
Stokkem   
Stokkemerzijde   
Sint-Jans Evangelie   
Naam Locatie in Tekst
Maas   
Luik   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
