Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KEMP314 - Van juffers en gedaanten zonder kop: De juffrouw zonder kop

Een sage (boek), 1925

Hoofdtekst

De juffrouw zonder kop

Drikus was op een Vastenavonddinsdag naar het naburige Susteren geweest en had zich daar, bij zijn tante Seph, aan pannekoek en oud bier te goed gedaan, zodat het wel elf uur in de avond was, eer hij met een beneveld hoofd en wankelende schreden naar de Horst terugkeerde. Achter de Middelsgraaf, de grensscheiding tussen Echt en Susteren gekomen, sloeg hij, om de weg te korten, een voetpad in dat hem binnen een kwartier tijds door het Doert in de Horst zou brengen. Reeds had Drikus al meer dan een half uur rondgelopen en nog zag hij de hoeve in de heldere maneschijn niet voor zich opdagen. Hij doolde door hout- en struikgewas, verloor stilaan het begane pad en raakte in het meest woeste gedeelte van het bos. Uitgeput van vermoeidheid en misschien nog meer beneveld door het oud bier van Susteren, legde hij zich neer onder een eikeboom en sliep spoedig in. Hij kon daar nog niet zo heel lang geslapen hebben, of er vielen hem drie eikels op de neus. Drikus werd wakker en hoewel hij zich verwonderde, dat er reeds nu in het voorjaar eikels van de bomen vielen, dutte hij weer in.
Daar klonken opeens uit de Echter kerktoren twaalf zware klokslagen door de nacht. Drikus herkende de klank van die klok en was heel blij dat hij niet al te ver van het dorp was weggedwaald. Dadelijk stond hij op om op de klank af te gaan en zo uit het bos te geraken. Nauwelijks was hij helemaal wakker, nadat hij zich de slaap uit de ogen had gewreven en was de laatste klokslag verstorven, of opeens zag Drikus in zijn nabijheid een blauw vuurtje ontvlammen. Hij begon zich nog minder op zijn gemak te gevoelen toen hij tevens een gerammel hoorde en zag, hoe een grote ketel op drie poten kwam aangelopen en, zonder ergens aan te hangen, boven het vuur bleef zweven. Een beetje daarna begon het uit de ketel te dampen en de akelige uitwasemingen die eraan ontsnapten, dwongen Drikus verscheidene keren te niezen.
Daarna hoorde Drikus al weer een ander geluid; het was of aan het eind van het bos een felle wind opstak en bliksemsnel naderde: alle bomen sidderden en beefden. Drikus keek naar boven en zag nu, tot nog grotere schrik, langs de kruinen van de bomen een vurig gespan naderen. Twee zwarte bokken met vleermuisvlerken trokken een gloeiende wagen, waarin een gedaante van een juffrouw, gehuld in een witte mantel, zat. De vrouwelijke gedaante daalde statig bij de dampende ketel neer en Drikus zag nu bij het schitterende licht van de wagen, dat hij op de bouwvallen van het 'Slotje' verdoold was.
Hij viel op de knieën en begon God aan te roepen. Opeens klonk er een 'zilverfijne' stem: 'Weg van hier, oningewijd gemeen volk!' Drikus keek op en nu zag hij het witte spooksel voor zich staan. Het wierp de mantel weg. Een bloedrood kleed dekte de slanke gestalte der juffrouw en in haar handen droeg zij haar bloedend hoofd.
'Wat een brutaliteit!' sprak het hoofd. 'Zo het uur van mijn macht nu had geslagen, zoudt gij uw roekeloosheid met uw hoofd moeten boeten!'
Wat heb ik u gedaan,' vroeg Drikus stamelend, 'en wie zijt gij dan?' 'Ik ben,' antwoordde het spooksel, 'de adellijke dame van dit kasteel, die hier in het jaar 1498 door de Echtenaren, voordat zij voor de wapenen van keizer Maximiliaan deze sterkte des nachts moesten verlaten, werd vermoord. Ik werd zonder genade onthoofd, eer ik de tijd had, hier op aarde mijn rekening met de eeuwige Rechter in orde te maken. Daarom vervolg ik hen tot in het laatste geslacht.
Het is uw geluk, dat gij op een dinsdag en niet op een woensdag of op een vrijdag hier zijt gekomen. Menig Echtenaar was niet zo gelukkig, en als gij wilt weten wat er van verscheidene mensen is geworden, die spoorloos uit Echt zijn verdwenen, dan ga maar eens in die ketel kijken, daar liggen hun hoofden te braden.' En werkelijk toonde de juffrouw hem nu de hoofden van drie mensen, die hij goed gekend had en over wier uiteinde allerlei geruchten in omloop waren.
'Maar,' vervolgde het hoofd van de rampzalige juffrouw, 'het is misschien niet minder gelukkig voor mij, dat gij hier zijt; want verneem, dat ik vóór de oorlog in deze streken al mijn geld en mijn juwelen in drie kisten onder deze grond heb begraven. Vóór mijn sterven heb ik dit geheim niet kunnen openbaren en nu moet ik zolang rondspoken op deze plaats, tot er iemand de schat heeft opgegraven. Eerst dan zal ik verlost zijn. Kom, red mij,' smeekte de juffrouw zonder kop nu. 'Kom dinsdag terug, breng een helper mee, maar slechts een, steek brood en zout bij u, doe een paar nieuwe klompen aan en hier op deze plaats - zij stak een berkehoutje in de grond - zult gij met fonkelnieuwe spaden beginnen te graven. Op zeven voet diepte zitten de kisten. Doch ik bezweer u, spreek geen woord onder uw arbeid, want dan zal al uw moeite tevergeefs zijn. De eerste kist is voor de armen; de tweede voor de kerk; maar de derde en zwaarste kunt ge samen delen.'
Toen verdween het spook.
Het duurde Drikus te lang eer het de volgende dinsdag was. Zijn zwager Hannes had zich bereid verklaard met hem mee te gaan. Op die dag vertrokken de beide mannen, voorzien van brood en zout, met nieuwe klompen aan de voeten en twaalf nieuwe blinkende spaden op de rug. Nauwelijks had de klok van Echt twaalf uur geslagen of Drikus en Hannes begonnen onder een eerbiedig zwijgen te graven. Zij hadden al geruime tijd gegraven, toen de spade van Hannes op iets stiet, dat een hol geluid van zich gaf. In zijn blijdschap riep hij nu: 'Drikus, daar zit de heks!' Maar nauwelijks had hij dit gezegd, of beiden hoorden in de grond een geluid van rinkelende geldstukken, gevolgd door een zware plof. Het waren de kisten die wel driemaal zo diep als ze eerst lagen in de bodem zonken. De delvers gaven het graven verder op en vol spijt keerden zij naar huis terug. Sedert die noodlottige nacht heeft Hannes geen enkel goed woord meer uit zijn zwager Drikus kunnen krijgen.

Onderwerp

SINSAG 0301 - Weisse Frau bewacht (und zeigt) einen Schatz (an).    SINSAG 0301 - Weisse Frau bewacht (und zeigt) einen Schatz (an).   

Beschrijving

Drikus ontmoet op het spookuur 's nachts een juffrouw die haar hoofd in haar handen draagt. Het gebeurt op de plaats waar vroeger een slot stond. Het hoofd van de juffrouw vertelt hem dat hij geluk heeft op een dinsdag te zijn gekomen. Het was lelijk met hem afgelopen als het een andere dag was geweest.
De juffrouw geeft hem de mogelijkheid om haar geldkisten op te graven: die hij kan verdelen tussen hemzelf, de armen en de kerk. De volgende dinsdag gaat Drikus met zijn zwager Hannes de schat opgraven. Maar als Hannes zegt: 'kijk, daar zit de heks', zinken de kisten dieper dan ooit.

Bron

Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970

Motief

C401.3 - Tabu: speaking while searching for treasure.    C401.3 - Tabu: speaking while searching for treasure.   

Commentaar

1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van juffers en gedaanten zonder kop'.
Weisse Frau bewacht (und zeigt) einen Schatz (an). B) Schatzhebung misslingt, durch Verletzung des Schweigegebotes.

Naam Overig in Tekst

Vastenavonddinsdag    Vastenavonddinsdag   

Drikus    Drikus   

Seph    Seph   

Middelsgraaf    Middelsgraaf   

Doert    Doert   

slotje    slotje   

Hannes    Hannes   

eeuwige Rechter    eeuwige Rechter   

God    God   

Naam Locatie in Tekst

Susteren    Susteren   

Echt    Echt   

Horst    Horst   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20