Hoofdtekst
Het teken van de verloste
Te Meerssen woonde eens een meisje dat ziekelijk was en in Tongeren zou er een dokter wonen, die een grote naam had geheimzinnige ziekten te genezen. Daar het meisje niet beter werd, besloot haar familje die dokter eens te raadplegen.
In die tijd waren er nog geen trams en daarom zou haar broer haar op het paard nemen en naar Tongeren rijden. Zo gezegd, zo gedaan. Zij gingen en volgden de Tongerse steenweg. Gekomen ter hoogte van het Maastrichtse kerkhof, zeide het meisje plotseling tegen haar broer: 'Daar wandelt een witte man onder de bomen!'
'Ik zie niets,' antwoordde haar broer, terwijl zij hun weg vervolgden, 'dat moet je je verbeeld hebben!'
Later moest het meisje voor de tweede maal naar Tongeren en toen zag zij de witte man weer op dezelfde plaats. Haar broer zag echter niets. Bij het terugrijden bespeurde zij hem ook niet meer.
De broer sprak er eens over met de deken van Meerssen en deze vond het geval zo bijzonder, dat hij voorstelde, zijn zuster, wanneer ze weer naar Tongeren moest, te vergezellen.
De derde keer ging de deken mee. Zij namen ditmaal een rijtuig. Ongeveer op de plaats waar het meisje de vorige keren die witte man had gezien, liet de deken stilhouden en stapten zij uit.
Al dadelijk zei het meisje: 'Daar komt hij weer!'
'Waar?' vroeg de deken.
Ze wees in de richting waar zij de witte man zag. Noch de deken, noch haar broer zagen iets. Onderwijl scheen de geest in de nabijheid te zijn gekomen, want het meisje zei: 'Nu is hij vlak bij mij!'
'Vraag hem dan wat er van zijn begeerte is!' raadde de deken.
Ze vroeg het de geest. En ofschoon de beide mannen de geest niet konden zien, hoorden zij hem toch antwoorden op de vraag: 'Gij moet mij door uw gebed verlossen!'
'Vraag eens of het familie van u is!' moedigde de deken aan.
Het meisje vroeg weer en de geest antwoordde: 'Neen, gij zijt geen familie van mij en ik niet van u!'
De deken liet toen vragen, wat er moest worden gedaan om hem te verlossen. De geest antwoordde: 'Ik heb gedurende de laatste jaren van mijn leven vergeten, na de biecht de mij opgelegde penitentie te bidden en zolang een ander die onvolbrachte penitentie niet voor mij bidt, kan ik niet verlost worden.'
'Zeg maar, dat gij het doen wilt!' raadde de deken weer.
Het meisie deed dit.
Toen vervolgde de geest: 'Indien gij een maand lang, iedere dag een rozenhoedje wilt bidden, zal mijn nalatigheid hersteld zijn en zult gij mij verlost hebben!'
Dat zal ik doen,' beloofde het meisje, 'maar dan moet gij mij een teken geven, dat gij verlost zijt!'
Dat beloof ik u!' zeide de witte man nog en verdween.
Thuisgekomen begon het meisje onverwijld aan het volbrengen van de beloofde verlossing en nadat zij een maand het verzochte had gebeden ging zij tot besluit voor de nog niet verloste ziel te communie.
Zodra zij aan de communiebank zat, zagen de mensen haar plotseling een zakdoek te voorschijn halen, die zij echter aanstonds liet vallen, daar zij ineens zweeg en in zwijm viel. Zij werd dadelijk buiten de kerk gedragen, maar toen men de zakdoek opraapte. stond daar een verkoolde hand in geprent. Dat was het teken van de verloste.
Die zakdoek zou nog in de kerk van Meerssen te zien zijn.
Te Meerssen woonde eens een meisje dat ziekelijk was en in Tongeren zou er een dokter wonen, die een grote naam had geheimzinnige ziekten te genezen. Daar het meisje niet beter werd, besloot haar familje die dokter eens te raadplegen.
In die tijd waren er nog geen trams en daarom zou haar broer haar op het paard nemen en naar Tongeren rijden. Zo gezegd, zo gedaan. Zij gingen en volgden de Tongerse steenweg. Gekomen ter hoogte van het Maastrichtse kerkhof, zeide het meisje plotseling tegen haar broer: 'Daar wandelt een witte man onder de bomen!'
'Ik zie niets,' antwoordde haar broer, terwijl zij hun weg vervolgden, 'dat moet je je verbeeld hebben!'
Later moest het meisje voor de tweede maal naar Tongeren en toen zag zij de witte man weer op dezelfde plaats. Haar broer zag echter niets. Bij het terugrijden bespeurde zij hem ook niet meer.
De broer sprak er eens over met de deken van Meerssen en deze vond het geval zo bijzonder, dat hij voorstelde, zijn zuster, wanneer ze weer naar Tongeren moest, te vergezellen.
De derde keer ging de deken mee. Zij namen ditmaal een rijtuig. Ongeveer op de plaats waar het meisje de vorige keren die witte man had gezien, liet de deken stilhouden en stapten zij uit.
Al dadelijk zei het meisje: 'Daar komt hij weer!'
'Waar?' vroeg de deken.
Ze wees in de richting waar zij de witte man zag. Noch de deken, noch haar broer zagen iets. Onderwijl scheen de geest in de nabijheid te zijn gekomen, want het meisje zei: 'Nu is hij vlak bij mij!'
'Vraag hem dan wat er van zijn begeerte is!' raadde de deken.
Ze vroeg het de geest. En ofschoon de beide mannen de geest niet konden zien, hoorden zij hem toch antwoorden op de vraag: 'Gij moet mij door uw gebed verlossen!'
'Vraag eens of het familie van u is!' moedigde de deken aan.
Het meisje vroeg weer en de geest antwoordde: 'Neen, gij zijt geen familie van mij en ik niet van u!'
De deken liet toen vragen, wat er moest worden gedaan om hem te verlossen. De geest antwoordde: 'Ik heb gedurende de laatste jaren van mijn leven vergeten, na de biecht de mij opgelegde penitentie te bidden en zolang een ander die onvolbrachte penitentie niet voor mij bidt, kan ik niet verlost worden.'
'Zeg maar, dat gij het doen wilt!' raadde de deken weer.
Het meisie deed dit.
Toen vervolgde de geest: 'Indien gij een maand lang, iedere dag een rozenhoedje wilt bidden, zal mijn nalatigheid hersteld zijn en zult gij mij verlost hebben!'
Dat zal ik doen,' beloofde het meisje, 'maar dan moet gij mij een teken geven, dat gij verlost zijt!'
Dat beloof ik u!' zeide de witte man nog en verdween.
Thuisgekomen begon het meisje onverwijld aan het volbrengen van de beloofde verlossing en nadat zij een maand het verzochte had gebeden ging zij tot besluit voor de nog niet verloste ziel te communie.
Zodra zij aan de communiebank zat, zagen de mensen haar plotseling een zakdoek te voorschijn halen, die zij echter aanstonds liet vallen, daar zij ineens zweeg en in zwijm viel. Zij werd dadelijk buiten de kerk gedragen, maar toen men de zakdoek opraapte. stond daar een verkoolde hand in geprent. Dat was het teken van de verloste.
Die zakdoek zou nog in de kerk van Meerssen te zien zijn.
Onderwerp
SINSAG 0402 - Die versäumte Wallfahrt (Messe, Gabe)   
Beschrijving
Een meisje ziet een geestverschijning, die haar verzoekt om zijn niet-afgemaakte penitentie af te maken. Het meisje moet een maand lang elke dag een rozenhoedje bidden. Het meisje doet het en de ziel geeft een teken van verlossing: als het meisje op een dag in de kerk zit, ziet zij ineens een verkoolde afdruk in een zakdoek. De zakdoek zou nog altijd in de kerk van Meerssen te zien zijn.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van verzuimde bedevaarten en ongeldige missen'.
Die versäumte Wallfahrt (Messe, Gabe)
Naam Locatie in Tekst
Meerssen   
Tongeren   
Maastricht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
