Hoofdtekst
De onrechtvaardige rechter
Te Maastricht, op het Sint-Servaasklooster, woonde een rechter met zijn vrouw. Zij hadden geen kinderen. Behalve een dienstmeid hielden ze een werkvrouw voor het grove werk.
De man van die werkvrouw nu was eens op een keer met zijn vriend, een andere werkman, gaan wandelen. Onderweg kreeg hij ruzie met een derde persoon en sloeg die dood. Dat had niemand gezien dan die vriend.
Thuisgekomen, vertelde hij zijn vrouw wat hij had gedaan. De vrouw ontzette zich daarover, maar zij bedacht zich niet lang en spoedde zich naar de vrouw van de rechter en vroeg haar te spreken.
Ze vertelde mevrouw nu alles wat er was gebeurd en nadat zij haar verhaal had geeindigd, smeekte zij de dame haar man, de rechter, toch te willen bewerken dat hij niet haar man, die de moord had begaan, maar de onschuldige werkman die er maar bij tegenwoordig was geweest, zou veroordelen. Zij redeneerde aldus: die man had toch geen kinderen en zij met haar man hadden er zeven. Wat moest zij in godsnaam beginnen wanneer haar man werd veroordeeld en zij met die arme schapen zonder broodwinner moest achterblijven. De vriend van haar man verspeelde toch niets; want zijn vrouw zou er zich wel doorheen slaan.
Verontwaardigd wees mevrouw het misdadige voorstel van de hand; maar de in 't nauw gebrachte werkvrouw liet niet na en smeekte haar op de knieën het mogelijke te doen, om haar en haar kinderen van de ellende en de armoede te redden.
Ten langen laatste liet mevrouw zich bepraten; zij zou er met mijnheer over spreken, doch zij geloofde niet dat het wat zou baten.
Toen mijnheer thuis kwam, was haar eerste werk hem het gebeurde met de man van de poetsvrouw te vertellen. En daarna, wat de laatste haar had voorgesteld.
'Zwijg! Dat kan niet gebeuren!' riep de rechter geërgerd.
Mevrouw liet echter niet af en toen de veroordeling plaats had, werd de onschuldige veroordeeld en de schuldige vrijgesproken.
Korte tijd daarna stierf de onschuldig veroordeelde van verdriet over het onrechtvaardige vonnis, in de gevangenis.
Na diens dood had de rechter rust noch duur meer, overal vervolgde hem de gedachte aan de man, die hij onschuldig veroordeeld had en die door zijn schuld in de gevangenis was gestorven. Het gevolg daarvan was dat hij ernstig ziek werd en niet lang daarna stierf, zonder in de gelegenheid te zijn geweest het onrechtvaardige vonnis te herroepen waarvoor het trouwens ook te laat was.
Reeds de eerste nacht na zijn dood werd mevrouw 's nachts om twaalf uur wakker door een geweldig lawaai op de bovenverdieping. Deuren vlogen open en dicht. Er kwam iets de trap afhollen. Ook de deur van de slaapkamer vloog open en eer mevrouw zich nog verder kon bezinnen, werd ze in haar bed door iets onzichtbaars duchtig geslagen. Ze durfde van schrik niet kijken en hield zich onder de dekens verborgen.
Dit gebeurde zo enige nachten achter elkaar en de weduwe begreep dat het zo niet kon blijven duren.
Zij gebood de meid die niet voor een beetje vervaard was, bij haar te komen slapen. De meid kwam en sliep bij mevrouw, maar om twaalf uur gingen de deuren in het hele huis weer open en dicht, er kwam weer iets de trap afgestormd en mevrouw kreeg weer evengoed slaag als toen de meid niet bij haar sliep.
Toen verzocht mevrouw de meid voor in het bed te gaan liggen; zij zou zich dan achter leggen. Ook dat hielp niets. De geest kwam als gewoonlijk en deerde de meid, die nu voor lag, niet. Hij reikte over haar been naar mevrouw en nu kreeg deze haar gewone portie.
De meid kon dat natuurlijk niet volhouden. Zij wilde in dat spookhuis geen dag meer blijven en zei haar dienst op.
Toen zij vertrok ging zij naar de deken van Sint-Servaas en vertelde hem de hele geschiedenis.
De volgende dag was deze al bij mevrouw. Hij had vernomen dat zulk rare geruchten over haar huis de ronde deden. Hij had gehoord dat het er spookte.
Mevrouw begreep dat verzwijgen haar weinig zou helpen. In vertrouwen vertelde zij toen alles wat er was gebeurd. Van de moord tot de onrechtvaardige veroordeling; van de dood van de onschuldig veroordeelde en de dood van haar man en ten slotte van het aandeel, dat zij in deze zaak had.
De deken schudde bij dit alles bedenkelijk het hoofd. Het was een treurig geval. Hij had echter medelijden met haar en zou haar, als het kon, de volgende nacht van de geest bevrijden.
Om twaalf uur 's nachts bevond zich de deken in de kamer bij mevrouw. Nauwelijks had de klok middernacht geslagen of daar begon het tumult al weer en gingen de deuren open en dicht. Ook kwam er iets de trappen afgehold, maar op het onderste trapportaal bleef het staan. Het durfde niet verder want het had de aanwezigheid van de priester bemerkt.
Niettemin ging het boven voort met razen en pas toen het een uur sloeg, werd het stil. Na de kamer te hebben gezegend, verliet de deken het huis, met de belofte de volgende nacht terug te komen.
De deken kwam weer en zijn eerste werk was, de deur van de kamer van mevrouw open te spannen en in de aldus geopende deur een tafel te plaatsen. Daarop zette hij een kruisbeeld en aan iedere zijde daarvan een brandende waskaars. Vervolgens begon hij te bidden en de geest af te wachten.
Klokslag twaaif uur begon het gestommel op de bovenverdiepingen al weer. Deuren vlogen open en dicht en holderdebolder daar kwam de geest de trap af. Hij bleef nu met staan op het onderste trapportaal, gelijk de dag te voren, doch kwam tot voor de tafel. Daar kon hij niet meer verder. Toen de deken opkeek zag hij dat het de overleden rechter was.
'Wat komt gij hier doen?' vroeg hij.
'Mijn vrouw heeft mij diep rampzalig gemaakt', antwoordde de geest, 'door mij over te halen tot dat onrechtvaardig vonnis. Nu heb ik geen rust meer, zelfs niet in het graf en in de eeuwigheid!'
Nu gebood de deken de geest achter de tafel te biijven staan en deed mevrouw aan de andere zijde komen.
Toen zeide hij tot de geest:
'Wat gebeurd is is gebeurd. Hoe pijnlijk en ontzettend het ook mag wezen, er is niets meer aan te veranderen. En nu verban ik u, in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, naar het prieel achter in de tuin, u nog enkel als gunst toestaande, alle honderd jaar een pas korter bij uw huis te komen!'
Maar eer de geest van de onrechtvaardige rechter verdween, kon hij nog de ene hand leggen op de schouder van zijn vrouw en de andere op de tafel en beide bleven daarin geprent, als gebrand.
Het huis waarin dit alles gebeurde staat er nog.
Te Maastricht, op het Sint-Servaasklooster, woonde een rechter met zijn vrouw. Zij hadden geen kinderen. Behalve een dienstmeid hielden ze een werkvrouw voor het grove werk.
De man van die werkvrouw nu was eens op een keer met zijn vriend, een andere werkman, gaan wandelen. Onderweg kreeg hij ruzie met een derde persoon en sloeg die dood. Dat had niemand gezien dan die vriend.
Thuisgekomen, vertelde hij zijn vrouw wat hij had gedaan. De vrouw ontzette zich daarover, maar zij bedacht zich niet lang en spoedde zich naar de vrouw van de rechter en vroeg haar te spreken.
Ze vertelde mevrouw nu alles wat er was gebeurd en nadat zij haar verhaal had geeindigd, smeekte zij de dame haar man, de rechter, toch te willen bewerken dat hij niet haar man, die de moord had begaan, maar de onschuldige werkman die er maar bij tegenwoordig was geweest, zou veroordelen. Zij redeneerde aldus: die man had toch geen kinderen en zij met haar man hadden er zeven. Wat moest zij in godsnaam beginnen wanneer haar man werd veroordeeld en zij met die arme schapen zonder broodwinner moest achterblijven. De vriend van haar man verspeelde toch niets; want zijn vrouw zou er zich wel doorheen slaan.
Verontwaardigd wees mevrouw het misdadige voorstel van de hand; maar de in 't nauw gebrachte werkvrouw liet niet na en smeekte haar op de knieën het mogelijke te doen, om haar en haar kinderen van de ellende en de armoede te redden.
Ten langen laatste liet mevrouw zich bepraten; zij zou er met mijnheer over spreken, doch zij geloofde niet dat het wat zou baten.
Toen mijnheer thuis kwam, was haar eerste werk hem het gebeurde met de man van de poetsvrouw te vertellen. En daarna, wat de laatste haar had voorgesteld.
'Zwijg! Dat kan niet gebeuren!' riep de rechter geërgerd.
Mevrouw liet echter niet af en toen de veroordeling plaats had, werd de onschuldige veroordeeld en de schuldige vrijgesproken.
Korte tijd daarna stierf de onschuldig veroordeelde van verdriet over het onrechtvaardige vonnis, in de gevangenis.
Na diens dood had de rechter rust noch duur meer, overal vervolgde hem de gedachte aan de man, die hij onschuldig veroordeeld had en die door zijn schuld in de gevangenis was gestorven. Het gevolg daarvan was dat hij ernstig ziek werd en niet lang daarna stierf, zonder in de gelegenheid te zijn geweest het onrechtvaardige vonnis te herroepen waarvoor het trouwens ook te laat was.
Reeds de eerste nacht na zijn dood werd mevrouw 's nachts om twaalf uur wakker door een geweldig lawaai op de bovenverdieping. Deuren vlogen open en dicht. Er kwam iets de trap afhollen. Ook de deur van de slaapkamer vloog open en eer mevrouw zich nog verder kon bezinnen, werd ze in haar bed door iets onzichtbaars duchtig geslagen. Ze durfde van schrik niet kijken en hield zich onder de dekens verborgen.
Dit gebeurde zo enige nachten achter elkaar en de weduwe begreep dat het zo niet kon blijven duren.
Zij gebood de meid die niet voor een beetje vervaard was, bij haar te komen slapen. De meid kwam en sliep bij mevrouw, maar om twaalf uur gingen de deuren in het hele huis weer open en dicht, er kwam weer iets de trap afgestormd en mevrouw kreeg weer evengoed slaag als toen de meid niet bij haar sliep.
Toen verzocht mevrouw de meid voor in het bed te gaan liggen; zij zou zich dan achter leggen. Ook dat hielp niets. De geest kwam als gewoonlijk en deerde de meid, die nu voor lag, niet. Hij reikte over haar been naar mevrouw en nu kreeg deze haar gewone portie.
De meid kon dat natuurlijk niet volhouden. Zij wilde in dat spookhuis geen dag meer blijven en zei haar dienst op.
Toen zij vertrok ging zij naar de deken van Sint-Servaas en vertelde hem de hele geschiedenis.
De volgende dag was deze al bij mevrouw. Hij had vernomen dat zulk rare geruchten over haar huis de ronde deden. Hij had gehoord dat het er spookte.
Mevrouw begreep dat verzwijgen haar weinig zou helpen. In vertrouwen vertelde zij toen alles wat er was gebeurd. Van de moord tot de onrechtvaardige veroordeling; van de dood van de onschuldig veroordeelde en de dood van haar man en ten slotte van het aandeel, dat zij in deze zaak had.
De deken schudde bij dit alles bedenkelijk het hoofd. Het was een treurig geval. Hij had echter medelijden met haar en zou haar, als het kon, de volgende nacht van de geest bevrijden.
Om twaalf uur 's nachts bevond zich de deken in de kamer bij mevrouw. Nauwelijks had de klok middernacht geslagen of daar begon het tumult al weer en gingen de deuren open en dicht. Ook kwam er iets de trappen afgehold, maar op het onderste trapportaal bleef het staan. Het durfde niet verder want het had de aanwezigheid van de priester bemerkt.
Niettemin ging het boven voort met razen en pas toen het een uur sloeg, werd het stil. Na de kamer te hebben gezegend, verliet de deken het huis, met de belofte de volgende nacht terug te komen.
De deken kwam weer en zijn eerste werk was, de deur van de kamer van mevrouw open te spannen en in de aldus geopende deur een tafel te plaatsen. Daarop zette hij een kruisbeeld en aan iedere zijde daarvan een brandende waskaars. Vervolgens begon hij te bidden en de geest af te wachten.
Klokslag twaaif uur begon het gestommel op de bovenverdiepingen al weer. Deuren vlogen open en dicht en holderdebolder daar kwam de geest de trap af. Hij bleef nu met staan op het onderste trapportaal, gelijk de dag te voren, doch kwam tot voor de tafel. Daar kon hij niet meer verder. Toen de deken opkeek zag hij dat het de overleden rechter was.
'Wat komt gij hier doen?' vroeg hij.
'Mijn vrouw heeft mij diep rampzalig gemaakt', antwoordde de geest, 'door mij over te halen tot dat onrechtvaardig vonnis. Nu heb ik geen rust meer, zelfs niet in het graf en in de eeuwigheid!'
Nu gebood de deken de geest achter de tafel te biijven staan en deed mevrouw aan de andere zijde komen.
Toen zeide hij tot de geest:
'Wat gebeurd is is gebeurd. Hoe pijnlijk en ontzettend het ook mag wezen, er is niets meer aan te veranderen. En nu verban ik u, in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, naar het prieel achter in de tuin, u nog enkel als gunst toestaande, alle honderd jaar een pas korter bij uw huis te komen!'
Maar eer de geest van de onrechtvaardige rechter verdween, kon hij nog de ene hand leggen op de schouder van zijn vrouw en de andere op de tafel en beide bleven daarin geprent, als gebrand.
Het huis waarin dit alles gebeurde staat er nog.
Beschrijving
Een geest van een onrechtvaardige veroordeelde, die in de gevangenis is gestorven, blijft rondspoken in het huis van de rechter die hem dit heeft aangedaan.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van onrechtvaardige vonnissen'.
Naam Overig in Tekst
Sint-Servaasklooster   
Vader   
Zoon   
Heilige Geest   
Naam Locatie in Tekst
Maastricht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
