Hoofdtekst
TM: "U bent dan de hele tijd rond water opgevoed. U bent natuurlijk ook heel klein geweest. Hebben uw ouders u vroeger nog gewaarschuwd voor een wezen in het water... dat u niet in het water viel?"
BVB: "Nee, nee. Ja, dat ik niet in het water viel, dat... als ik dan een jaar of drie was en als ik dan buiten was, dan zat ik vast aan een touwtje, hè? Dat ik niet overboord kon vallen."
"Hahaha."
BVB: "Dat was toen wel nodig. Tegenwoordig hebben ze van die grote boxen op die schepen, waar ze die kinderen in zetten, maar dat was toen niet. Dus toen had je een touwtje om en zat je vast aan een touwtje, dat als je overboord viel, dat ze je zo pakken konden. Ik heb nog wel een keer beleefd, dat een hond me het leven gered heb. [...] Toen hadden we nog een wat groter schip. En toen waren we in Zeeland. Dan werden we gesleept, anders gaat dat achter mekaar, maar in Zeeland hadden ze twee schepen naast elkaar, en dan werden ze uit elkaar gestuurd, zodat ze niet tegen mekaar aankwamen. Als ze dan slingerden, dan braken die draden, waarmee ze aan elkaar verbonden waren. Toen werd het opeens vreselijk slecht weer. De kapitein wou niet verder, dus die ging tegen de stroom inliggen. Dan gingen ze voor anker liggen; dat was voor de veiligheid, omdat ze het niet meer vertrouwden. En toen moesten wij aan land. En toen deden ze die schepen naar elkaar toe. Wij hadden een hele grote hond. Als we voeren zat hij altijd vast aan zijn hok. Mijn vader had een hondenhok gemaakt; en dat was een flink stevig hok. En we kwamen dichter bij dat schip. En die hond kreeg het zo benauwd. En mijn vader, die wou mij overgooien. Ik was toen een jaar of drie. Maar ik kan het me nog herinneren. Mijn vader wou me overgooien naar dat andere schip. En dat schip was met takken vol, en dat andere schip was groter. En dat ging mis. Ik kwam tussen die schepen terecht. En die hond die kreeg het zo benauwd, die sprong over en die haalde het, en die sleurde dat hok mee, waar 'ie mee vast zat. En dat hok kwam tussen die beide schepen in. En toen kon die schipper van dat andere schip, die kon mij pakken, terwijl dat hok kapot kraakte. Dus als die hond er niet geweest was, met dat hok, had ik klem ... was ik tussen die twee schepen verpletterd geworden. Nou, toen was ik 3,5 jaar, maar ik kan het me nog herinneren. [...] Zoiets dat vergeet je nooit weer. [...] Mijn vader had een flink stevig hok gemaakt van een boom, dus eer dat dat hok gekraakt was, kon die schipper me er zo uitvissen. Die andere schipper kon me er zo uitkrijgen. Anders was ik verpletterd tussen die twee schepen, dan was het beslist verkeerd gegaan."
BVB: "Nee, nee. Ja, dat ik niet in het water viel, dat... als ik dan een jaar of drie was en als ik dan buiten was, dan zat ik vast aan een touwtje, hè? Dat ik niet overboord kon vallen."
"Hahaha."
BVB: "Dat was toen wel nodig. Tegenwoordig hebben ze van die grote boxen op die schepen, waar ze die kinderen in zetten, maar dat was toen niet. Dus toen had je een touwtje om en zat je vast aan een touwtje, dat als je overboord viel, dat ze je zo pakken konden. Ik heb nog wel een keer beleefd, dat een hond me het leven gered heb. [...] Toen hadden we nog een wat groter schip. En toen waren we in Zeeland. Dan werden we gesleept, anders gaat dat achter mekaar, maar in Zeeland hadden ze twee schepen naast elkaar, en dan werden ze uit elkaar gestuurd, zodat ze niet tegen mekaar aankwamen. Als ze dan slingerden, dan braken die draden, waarmee ze aan elkaar verbonden waren. Toen werd het opeens vreselijk slecht weer. De kapitein wou niet verder, dus die ging tegen de stroom inliggen. Dan gingen ze voor anker liggen; dat was voor de veiligheid, omdat ze het niet meer vertrouwden. En toen moesten wij aan land. En toen deden ze die schepen naar elkaar toe. Wij hadden een hele grote hond. Als we voeren zat hij altijd vast aan zijn hok. Mijn vader had een hondenhok gemaakt; en dat was een flink stevig hok. En we kwamen dichter bij dat schip. En die hond kreeg het zo benauwd. En mijn vader, die wou mij overgooien. Ik was toen een jaar of drie. Maar ik kan het me nog herinneren. Mijn vader wou me overgooien naar dat andere schip. En dat schip was met takken vol, en dat andere schip was groter. En dat ging mis. Ik kwam tussen die schepen terecht. En die hond die kreeg het zo benauwd, die sprong over en die haalde het, en die sleurde dat hok mee, waar 'ie mee vast zat. En dat hok kwam tussen die beide schepen in. En toen kon die schipper van dat andere schip, die kon mij pakken, terwijl dat hok kapot kraakte. Dus als die hond er niet geweest was, met dat hok, had ik klem ... was ik tussen die twee schepen verpletterd geworden. Nou, toen was ik 3,5 jaar, maar ik kan het me nog herinneren. [...] Zoiets dat vergeet je nooit weer. [...] Mijn vader had een flink stevig hok gemaakt van een boom, dus eer dat dat hok gekraakt was, kon die schipper me er zo uitvissen. Die andere schipper kon me er zo uitkrijgen. Anders was ik verpletterd tussen die twee schepen, dan was het beslist verkeerd gegaan."
Beschrijving
Verhaal uit jeugd als schipperskind.
Bron
Optekening bij verteller Berendine Veen-Brouwer te Ten Boer op 23 november 2006 (Bandopname archief Meertens Instituut)
Commentaar
23 november 2006
Zie onder Beeld voor foto Berendine Veen-Brouwer
Naam Overig in Tekst
Zeeland   
Naam Locatie in Tekst
Zeeland   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
