Hoofdtekst
5.14. Weerwolf steelt het spek
Vruger aaid' allemaal keten in de polder. D'r waren rieten keten aan de dijken. En in zo'n keet aaien ze spek gebakken 's avonds. Toen staken z't allemaal mee ne lange stek in de pan: nauw heed ieder zijn telloor. D'r staken ze die stukskens maar aan. Da waren van die vetpotten en daar lagen ze da spek in.
D'r aai d'r ene spek gebakken 's avonds en hij aai het ook op de tafel gezet en 's morgens: 't spek was weg!
Hij zegt tegen die keetvrouw: 'Hedde dat spek wegg'haald?' 'Neie, 'k weet van niks'. En stek en al was weg en d'r aai geen mens binnen gewist.
De anderen avond was d'r weer ene: hij komt 's morgens uit de kooi: ze spek was ook weg. 'Ik gaan van den nacht waken', zegt den andere. 'Dan blijf ik ook wakker' zegt den tweede. Hij zette 't weer op tafel.
En 's nachts ging de deur open: d'r deien ze gene grendel op: da was zo'n houten klink: en d'r kwaam ne groten hond binnen. Die gaat overal snuffelen.
Ineens springt ie boven op de tafel, pakt da spek en weg was ie.
Ze springen naar buiten en ze zagen genen hond meer.
'Da's ne weerwolf, ei!'
Vruger aaid' allemaal keten in de polder. D'r waren rieten keten aan de dijken. En in zo'n keet aaien ze spek gebakken 's avonds. Toen staken z't allemaal mee ne lange stek in de pan: nauw heed ieder zijn telloor. D'r staken ze die stukskens maar aan. Da waren van die vetpotten en daar lagen ze da spek in.
D'r aai d'r ene spek gebakken 's avonds en hij aai het ook op de tafel gezet en 's morgens: 't spek was weg!
Hij zegt tegen die keetvrouw: 'Hedde dat spek wegg'haald?' 'Neie, 'k weet van niks'. En stek en al was weg en d'r aai geen mens binnen gewist.
De anderen avond was d'r weer ene: hij komt 's morgens uit de kooi: ze spek was ook weg. 'Ik gaan van den nacht waken', zegt den andere. 'Dan blijf ik ook wakker' zegt den tweede. Hij zette 't weer op tafel.
En 's nachts ging de deur open: d'r deien ze gene grendel op: da was zo'n houten klink: en d'r kwaam ne groten hond binnen. Die gaat overal snuffelen.
Ineens springt ie boven op de tafel, pakt da spek en weg was ie.
Ze springen naar buiten en ze zagen genen hond meer.
'Da's ne weerwolf, ei!'
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Elke ochtend is er spek verdwenen, waarop mannen gaan waken. Ze zien een grote hond binnenkomen die op de tafel springt, het spek wegpakt en naar buiten gaat. De mannen zien de hond niet meer lopen.
Bron
Willem de Blécourt. Volksverhalen uit Noord Brabant. Utrecht [etc.]: Het Spectrum, 1980. p. 168
Motief
D113.1.1 - Werwolf.   
Commentaar
1955
Motief: D113.1.1 Werewolf. (zie 8.16)
5
De verteller als tovenaar. Verhalen uit Ossendrecht en Woensdrecht
Verhalen verzameld door Marcel van den Berg bij zijn veldwerk voor zijn licentiaatsverhandeling in de Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Vanaf 1950 vindt er vanuit Leuven een grootscheeps onderzoek naar volksoverleveringen (sagen) plaats, tot voor kort geleid door wijlen professor K.C. Peeters, thans door professor S. Top (zie o.a. Peeters 1959, Top 1979). Van den Berg was een van de eerste studenten dIe in dit onderzoek participeerde (1955). Bij wijze van proef breidde hij zijn onderzoeksgebied, de polders ten noorden van Antwerpen, uit naar Nederlands grondgebied. Hoewel de verhaalmotieven uit Ossendrecht en Woensdrecht (evenals de rest van Noord-Brabant) niet noemenswaard afwijken van wat er ten zuiden
van de grens wordt verteld, merkt hij desalniettemin op: 'Toch menen we ondervonden te hebben dat deze dorpen (Ossendrecht en Woensdrecht, WdB) zo maar niet in ons gebied mogen geïntegreerd worden; de sfeer, het landschap en de mens is er anders en veel contact is er niet tussen de dorpen onder en boven de grens' (1960: 26). Over de wijze van noteren schrijft hij: 'Wanneer ze begonnen te vertellen haalden we diskreet een klein notaboekje boven en registreerden zo trouw mogelijk: we noteerden de hoofdwoorden, de typische volkse gezegden. Thuis gekomen typten we iedere sage onmiddellijk op een steekkaart; de herinnering was nog levendig genoeg om de hiaten aan te vullen.
Nooit hebben we protest gekregen dat we nota namen' (1960: 29). 'Alle grote verzamelaars leggen nadruk op de getrouwheid bij het optekenen. De volkskundige heeft dus niet het recht ook maar enigszins aan de volkse uitdrukking te tornen. Maar de grote moeilijkheid is, dat men meestal niet vlug genoeg kan schrijven om alles op te tekenen. Wij maakten natuurlijk gebruIk van een aantal afkortingen. Gewoonlijk lieten wij onze zegsman achteraf nog eens opnieuw vertellen om hetgeen wij opgetekend hadden aan een kontrole te onderwerpen en indien nodig, hier en daar woorden aan te vullen' (geciteerd in Heupers 1979: 13). Zie verder: Van den Berg 1965, en het door hem uit zijn licentiaatsverhandeling samengestelde deel Volksverhalen uit Antwerpen in deze serie.
5
De verteller als tovenaar. Verhalen uit Ossendrecht en Woensdrecht
Verhalen verzameld door Marcel van den Berg bij zijn veldwerk voor zijn licentiaatsverhandeling in de Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Vanaf 1950 vindt er vanuit Leuven een grootscheeps onderzoek naar volksoverleveringen (sagen) plaats, tot voor kort geleid door wijlen professor K.C. Peeters, thans door professor S. Top (zie o.a. Peeters 1959, Top 1979). Van den Berg was een van de eerste studenten dIe in dit onderzoek participeerde (1955). Bij wijze van proef breidde hij zijn onderzoeksgebied, de polders ten noorden van Antwerpen, uit naar Nederlands grondgebied. Hoewel de verhaalmotieven uit Ossendrecht en Woensdrecht (evenals de rest van Noord-Brabant) niet noemenswaard afwijken van wat er ten zuiden
van de grens wordt verteld, merkt hij desalniettemin op: 'Toch menen we ondervonden te hebben dat deze dorpen (Ossendrecht en Woensdrecht, WdB) zo maar niet in ons gebied mogen geïntegreerd worden; de sfeer, het landschap en de mens is er anders en veel contact is er niet tussen de dorpen onder en boven de grens' (1960: 26). Over de wijze van noteren schrijft hij: 'Wanneer ze begonnen te vertellen haalden we diskreet een klein notaboekje boven en registreerden zo trouw mogelijk: we noteerden de hoofdwoorden, de typische volkse gezegden. Thuis gekomen typten we iedere sage onmiddellijk op een steekkaart; de herinnering was nog levendig genoeg om de hiaten aan te vullen.
Nooit hebben we protest gekregen dat we nota namen' (1960: 29). 'Alle grote verzamelaars leggen nadruk op de getrouwheid bij het optekenen. De volkskundige heeft dus niet het recht ook maar enigszins aan de volkse uitdrukking te tornen. Maar de grote moeilijkheid is, dat men meestal niet vlug genoeg kan schrijven om alles op te tekenen. Wij maakten natuurlijk gebruIk van een aantal afkortingen. Gewoonlijk lieten wij onze zegsman achteraf nog eens opnieuw vertellen om hetgeen wij opgetekend hadden aan een kontrole te onderwerpen en indien nodig, hier en daar woorden aan te vullen' (geciteerd in Heupers 1979: 13). Zie verder: Van den Berg 1965, en het door hem uit zijn licentiaatsverhandeling samengestelde deel Volksverhalen uit Antwerpen in deze serie.
Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen
Plaats van Handelen
Ossendrecht (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
I118p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
