Hoofdtekst
En hier uyt kan men klaerlijck afnemen/ dat dese Stupendæ Antiquitates al in wesen geweest zijn/ eer dat Romeynen, Vriesen, Sweven, of andere Natien in dit Landt geweest zijn: ja voor en al eer eenige Europische Scribenten hebben beginnen de penne op ’t pampier te setten/ aangesien niet een an haer alleen hier van gewach meackt/ niet tegenstaende men voor oogen siet datse aldaer zijn/ en van ouds geweest. ’t Is waer/ die Gottische Scribenten geven ons eenigh bericht daer van/ namelijck / dat ‘et Reusen-Sepultuyren zijn/ en dat de Reusen voortijds alle wilde en woeste Landen door-stroopt hebben/ ’t welck zy uyt de oude Landts-liedjes/ en uyt de Letteren/ in Steen-klippen gehouwen/ geleert hebben; maer zy en weten den tijdt oock niet/ en settender oock genen datum by: ’t welck een teyken is/ dat die selvige Steenhoopen daer te Lande/ die de hierlandtsche gelijck zijn/ ouder zijn/ als die Gotthen hebben begost Historien te schrijven.
Hier uyt besluyt ick dan/ dat deze REUSEN geweest zijn de eerste Inwoonders deser Landschap/ eer noch eenige andere Natien/ uyt ‘et Oosten/ herwaerts gekomen zijn/ om dit Landt te bewoonen. Daer zijn oude geloofwaerdige Sribenten/ die even dit selve gestatueert hebben van Engelandt/ van Hollandt/ van Utrecht/ van Bohemen; maer overmits zy geen bewijs-redenen hebben by-gebracht/ soo zijn hare sustenuen van de posteriteet voor fabelen geacht/ doch gewillijck uyt ignorantie/ en uyt gebreck van behoorelijck ondersoeck: en dat en moet men niet soecken in de Boecken/ maer in de Wercken en Reliquien/ die dese Reusen in sommige plaetsen hebben naer-gelaten.
Overmits dan onwederspreeckelijck is/ of de Reusen hebben in dese Landtschap gehuyst en gedomineert/ door wat middel mogen doch die selvige soo gantschelijck uyt-geroeyt zijn/ dat ‘er voor veel hondert eeuwen niet een overigh van geweest is? Dit en is niet te weten. Hare grouwelen zijn hier van sonder twijfeel oorsaecke gheweest. Het kan zijn dat die eerste aenkomelingen/ die uyt ‘et Oosten herwaerts gekomen zijn/ en hebben dese woeste Landen bevolckt/ t’samen gespannen/ en dit Barbarische gespuys vernielt hebben/ gelijck ’t selve de kinderen Israels in ’t Landt Canaan oock gedaen hebben. Het kan zijn dat sich dese wreede menschen onder malkanderen selfs verdelght hebben: ofte datse Godt sonder soodanige middelen/ wegen hare abominabele grouwelen/ verdelght heef onder den Hemel/ gelijck de Sodomiten en hare kammeraden verdelght zijn/ en ghelijck die de Historien van Peru vermelden/ dat eenige Reusen van dat Landt oock met vuyr uyt den Hemel souden verteert zijn.
Wat nu vorders belanght de eerste ordinarise Inwoonders deser Landtschap/ die naer de Reusen haer hier hebben ter neder-geset/ en sich met verloop van tijdt door ’t Landt hebben verspreydt/ en daer in haer/ naer de gelegenheyt van de Eeuwe/ hebben geneert met Visschen/ Wildt- en Vogel-vangen/ daer in is dese Landtschap alle Nae-burighe en omliggende Landen gelijck/ als die altesamen hare eerste Inwoonders ontfangen hebben uyt ‘et Oosten/ en zijn rechte Descendenten van Japhet, wiens Geslachte en Naerkomelingen naergevolght is den krachtigen zegen Gods in ’t vermeerderen zijnes Zaeds/ alsoo dat in korte jaren/ naer de algemeyne Diluvie/ vele en ontallijcke Landen daer mede zijn vervuylt en bevolckt geworden.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Picardt   
Picart   
Friezen   
Romeinen   
Sweven   
Europese   
Gotthen   
Sodomiten   
Japhet   
God   
Naam Locatie in Tekst
Friesland   
Drenthe   
Drente   
Engeland   
Holland   
Utrecht   
Bohemen   
Peru   
