Hoofdtekst
No. 15. Hoogst zelden gebeurde het, dat men een kabouter te zien kreeg; en weinigen troffen het zoo als een boer uit Duizel, die een heel gesprek met een kabouter hield. Die boer had den heelen dag in de hei staan turven en keerde in 't schemeruur met zijn "spaai" over den schouder, over den Eerselschen dijk naar huis terug. Zijn rechterhand, over de steel der spa geslagen, hield een aarden doorrookertje vast, waaruit de man vroolijk, dikke, blauwe rookwolken in de lucht blies. Eenige schreden voor zich uit, zag hij op den weg een jongetje drentelen, dat, naar 't hem toeleek, niet ouder kon zijn dan eenige maanden. "Wel", dacht de boer bij zich zelf "die moet er de strijkijzers beter onder hebben staan als mijn jongste, anders zou hij zonder de lei *) nog geen tochten ondernemen." Temee had de boer het ventje ingehaald, en keek hem eens van terzijde aan. Hoe verwonderd was hij echter, toen hij een mannetje voor zich zag met grijze haren en een grijzen ringbaard, dat heel parmantig in zijn "ziep zakske" **) tastte, zijn smoorke voor den dag haalde, en om wat tabak vroeg. "Niet één pijpje, maar wel honderd pijpjes heb ik voor je over, vriendje", zei de goedhartige boer. "Neen", zei de kabouter, "eentje voor mij, de negen-en-negentig andere zijn voor jou." Onder 't voortstappen knoopte de boer een gesprek aan met den kleinen dreumes, en daar hij nieuwsgierig was, gelijk ge wel begrijpen kunt, vroeg hij hem: "Ge hoort zeker in den Kabouterberg thuis?" "Als je nooit verder misraadt, man, dan heb je van de profeten brooden gegeten", antwoordde het ventje. "Zijt ge al oud?" vroeg de boer andermaal. De kabouter had juist vuur geslagen in zijn tondeldoos, stak 't pijpje in den mond en, terwijl hij uit alle macht pafte om 'm aan te krijgen, ging 't antwoord grootendeels verloren, maar de woorden ......"toren"......"zullen 'm den kaats wel staan".... waren duidelijk verstaanbaar. *). 't Kaboutermanneke rookte er nu dapper op los, bedankte den boer heel vriendelijk en ging heen. Nauw had hij eenige schreden gedaan, of hij keerde zich nog eens om, en riep den boer toe, terwijl hij met zijn hand wuifde tot afscheid: "Rook vanavond nog maar eens een flinke pijp." Daarop trippelde hij voort en liet den landman verbaasd staan. Dienzelfden avond nog lekte 't verhaal, van wat onzen vriend weerwaren was, uit, want hij had 't bij zijn terugkomst dadelijk aan zijn vrouw vertelt. De een na den ander kwam opdagen om het nieuws nog eens uit den mond van den boer zelf te vernemen. Ieder mocht stoppen uit de doos, waaruit de kabouter zijn pijpje gevuld had, maar hoe men ook dampte, de doos werd niet leeg. En goeie tabak was 't, hij kwam uit de fabriek van Jan Turken te Eindhoven. Helaas, den volgenden morgen was de wonderbare tabaksdoos, die de boer voor alle zekerheid onder zijn hoofdkussen had bewaard, heelemaal leeg. 3).
Onderwerp
SINSAG 0071 - Die stets gefüllte Tabaksdose   
Beschrijving
Er wordt verteld dat in Duizel een boer een gesprek met een kabouter heeft gehad. Dit gebeurde zelden en was dus erg bijzonder. De boer gaf de kabouter wat tabak toen hij daarom vroeg. Hij bemerkte toen hij thuiskwam dat hij als beloning een tabaksdoos had gekregen die de hele avond niet op leek te raken. Helaas zat er de volgende ochtend niets meer in.
Bron
Noord-Brabantsch Sagenboek/ J. R. W. Sinninghe. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie. - [1933], p. 18-19.
Commentaar
[1933]
Valt onder hoofdstuk en titel(s): I. Mythologische Sagen: De Daemonen der vier elementen: A. Aardgeesten: 1. Dwergen.
*) Houten stel, waarin een kind loopen leert.
**) Een ziep is een kort buisje zonder slippen.
*) Zie No. 3.
3) BRON: Schoo in E.V. III, 181-183.
Ter verg.: Dienstvaardigheid. (No. 7 - 19). v. d. Bergh, N. Myth., 121. Kemp, Limb. S., 119-122. Wolf, N. S. No. 206, 208, 209, 211, 474-481; D. M. u. S., No. 66, 68, 73. de Cock's Teirl., No. 167, 168, 171, 176. de Cock, VI. S. No. 194. de Mont's de Cock, VI. vert. 326-330. Stroobrant, Lég. et Cout. 8, 19. Ons Volksl. I, 66 vlg.; II, 53; IX, 160 vlg. Hagelander, IV, 10. Volk en Taal, III, 89. 't Daghet, VIII, 69 vlg. Sébillot, I, 230-231, 457-460; II, 30-31, 43; III, 351. Grimm, D. Myth., 424 vlg. Tallooze sagen in geheel Duitschland.
[Het typenummer van deze sage slaat op de hulpvaardige kabouter, al gebeurt het in dit verhaal niet ongemerkt en ook niet 's nachts]
*) Houten stel, waarin een kind loopen leert.
**) Een ziep is een kort buisje zonder slippen.
*) Zie No. 3.
3) BRON: Schoo in E.V. III, 181-183.
Ter verg.: Dienstvaardigheid. (No. 7 - 19). v. d. Bergh, N. Myth., 121. Kemp, Limb. S., 119-122. Wolf, N. S. No. 206, 208, 209, 211, 474-481; D. M. u. S., No. 66, 68, 73. de Cock's Teirl., No. 167, 168, 171, 176. de Cock, VI. S. No. 194. de Mont's de Cock, VI. vert. 326-330. Stroobrant, Lég. et Cout. 8, 19. Ons Volksl. I, 66 vlg.; II, 53; IX, 160 vlg. Hagelander, IV, 10. Volk en Taal, III, 89. 't Daghet, VIII, 69 vlg. Sébillot, I, 230-231, 457-460; II, 30-31, 43; III, 351. Grimm, D. Myth., 424 vlg. Tallooze sagen in geheel Duitschland.
[Het typenummer van deze sage slaat op de hulpvaardige kabouter, al gebeurt het in dit verhaal niet ongemerkt en ook niet 's nachts]
Die stets gefüllte Tabaksdose. Bauer, welcher Zwerg Tabak gibt, bemerkt, dass seine Tabaksdose nicht leer wird.
Naam Overig in Tekst
Jan Turken   
Kabouterberg   
Naam Locatie in Tekst
Duizel   
Eindhoven   
Eerselschen dijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
