Hoofdtekst
25:31
Ik heb nog een verhaal van eh, van eh, van...[dat is] werkelijk gebeurd. Mijn vader heeft wel eens met dat eh met het werk heeft-ie een ongeluk gehad, dat was geloof ik in Hellevoetsluis [...] was het ook, met mijn moeder moest-ie mee, met de trein moest-ie mee naar eh, naar Rotterdam. Mijn vader lag dan in het havenziekenhuis, en eh, toen liep-ie daar in Rotterdam en hij had nog nooit geheurd natuurlijk dat er eh, dat er was eh, dat we hadden vroeger nog die kettingen hangen, allemaal langs die wegen, dat was dan eh afgebakend dat je niet mocht verder. En toen was het eerste werk al zo, dat-ie zag aan de overkant: daar moet ik zijn. Dus hij pakt die ketting en hij kruipt er eh, hij kruipt er zo eh, zo onderdeur, en hij wordt gelijk door de politie wordt-ie gepakt. "Zo meneer, wat gaat u doen?" "Laat me los! Want wat mot e gij aan mijnen jas!?" "Ja maar ik ben hier van de politie en waarom wilt u hier oversteken? Want, als je daar kijkt, dan zie je die mooie witte strepen. Dat is een zebrapad. En daar moet u oversteken!' 'Nou,' zegt-ie, 'Die strepen...bij ons op de weg heb ik die nog nooit gezien als ik over moet steken. Ik snap niet wat ge bedoelt!' Dus dat had-ie dan gehad, met eh, met dat-ie daar was [lacht], toen komt-ie daar eh daar aan, naar het ziekenhuis geweest, toen komt-ie terug en toen zag-ie daar bij zo'n kraam zag-ie dan van die, van die grote, van die grote krentenbollen liggen. En toen moest-ie daar eh, die had-ie meegenomen. En toen kwamen ze binnen veur een bakske koffie. Mijn moeder [ook?]. Stappen ze binnen in een hotel met dure eh, pluche kleden en alles er bij, en eh een kop koffie kregen ze. En toen begonnen ze ineens, pakt-ie uit die zak zo'n groten bol, en daar beet-ie in. Hij had nogal van die grote, zware grote wenkbrauwen had-ie, dus dat plofte gelijk in die wenkbrauwen. Dus heel die manier[?] [lacht] stond er eh, zat er onder, die vloer. Toen komt daar zo'n deftige man: 'Meneer, het is de bedoeling dat u dat niet doet, want het is verboden om hier eh, dit op te eten.' 'Gij moet es effe goed luistere, gij maakt niet uit wa-j ik met mijn krentenbollen doe. Die heb ik zelf betaald. En ik heb hier koffie gepakt. En als gij hier praat over maakt, dan heb ik schijt aan jou. Want het zijn mijn bollen.' [lacht] Dus mijn moeder zat er binnen, en die zat...hij [had?] daar op het gemak zijn krentebol. Toen ging-ie er uit, toen moesten ze heel dat schoonmaken, want mijn opa was dat gewoon niet gewend.
Ik heb nog een verhaal van eh, van eh, van...[dat is] werkelijk gebeurd. Mijn vader heeft wel eens met dat eh met het werk heeft-ie een ongeluk gehad, dat was geloof ik in Hellevoetsluis [...] was het ook, met mijn moeder moest-ie mee, met de trein moest-ie mee naar eh, naar Rotterdam. Mijn vader lag dan in het havenziekenhuis, en eh, toen liep-ie daar in Rotterdam en hij had nog nooit geheurd natuurlijk dat er eh, dat er was eh, dat we hadden vroeger nog die kettingen hangen, allemaal langs die wegen, dat was dan eh afgebakend dat je niet mocht verder. En toen was het eerste werk al zo, dat-ie zag aan de overkant: daar moet ik zijn. Dus hij pakt die ketting en hij kruipt er eh, hij kruipt er zo eh, zo onderdeur, en hij wordt gelijk door de politie wordt-ie gepakt. "Zo meneer, wat gaat u doen?" "Laat me los! Want wat mot e gij aan mijnen jas!?" "Ja maar ik ben hier van de politie en waarom wilt u hier oversteken? Want, als je daar kijkt, dan zie je die mooie witte strepen. Dat is een zebrapad. En daar moet u oversteken!' 'Nou,' zegt-ie, 'Die strepen...bij ons op de weg heb ik die nog nooit gezien als ik over moet steken. Ik snap niet wat ge bedoelt!' Dus dat had-ie dan gehad, met eh, met dat-ie daar was [lacht], toen komt-ie daar eh daar aan, naar het ziekenhuis geweest, toen komt-ie terug en toen zag-ie daar bij zo'n kraam zag-ie dan van die, van die grote, van die grote krentenbollen liggen. En toen moest-ie daar eh, die had-ie meegenomen. En toen kwamen ze binnen veur een bakske koffie. Mijn moeder [ook?]. Stappen ze binnen in een hotel met dure eh, pluche kleden en alles er bij, en eh een kop koffie kregen ze. En toen begonnen ze ineens, pakt-ie uit die zak zo'n groten bol, en daar beet-ie in. Hij had nogal van die grote, zware grote wenkbrauwen had-ie, dus dat plofte gelijk in die wenkbrauwen. Dus heel die manier[?] [lacht] stond er eh, zat er onder, die vloer. Toen komt daar zo'n deftige man: 'Meneer, het is de bedoeling dat u dat niet doet, want het is verboden om hier eh, dit op te eten.' 'Gij moet es effe goed luistere, gij maakt niet uit wa-j ik met mijn krentenbollen doe. Die heb ik zelf betaald. En ik heb hier koffie gepakt. En als gij hier praat over maakt, dan heb ik schijt aan jou. Want het zijn mijn bollen.' [lacht] Dus mijn moeder zat er binnen, en die zat...hij [had?] daar op het gemak zijn krentebol. Toen ging-ie er uit, toen moesten ze heel dat schoonmaken, want mijn opa was dat gewoon niet gewend.
Beschrijving
Bartje Poep [of zijn zoon] heeft tijdens werk in Hellevoetsluis een ongeluk gehad en komt in het ziekenhuis van Rotterdam terecht. Hier ontmoet hij het, voor hem onbekende, zebrapad, en eet hij een krentenbol in een luxe hotel, wat niet is toegestaan.
Bron
Letterlijk afschrift van wav-opname; Woudrichem_thVersteeg18juli2007.wav.
Commentaar
18 juli 2007
De verteller begint te spreken over 'mijn vader' (d.i. de zoon van Bartje Poep), maar eindigt het verhaal plotseling door 'mijn opa' (d.i. Bartje Poep) in de hoofdrol te plaatsen.
Naam Overig in Tekst
Bartje Poep   
Bart Poep   
Bart Versteeg   
Naam Locatie in Tekst
Hellevoetsluis   
Rotterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
