Hoofdtekst
Het steenen huis op Walcheren
In lang vervlogen dagen was er water waar nu het koren geelt.
De zee golfde ver het land in en de schepen voeren waar nu het vette Zeeuwsche vee graast.
Eens is het gebeurd dat ter plaatse van het Steenen Huis een rijk beladen Spaansch schip te gronde ging.
Wat er van de bemanning geworden is weet niemand; waar de schatten gebleven zijn evenmin.
Ligt het gele goud nog altijd in de diepte verborgen?
Wie zal weten wat diep in de aarde verborgen ligt?
Niemand kan dat weten; dat zijn geheime dingen maar in oude tijden moet er wel iets vreeselijks gebeurd zijn in die contreie. Want waar zouden ze anders vandaan gekomen zijn, de tallooze dwaallichten die er over het veld en langs de dreven doolden. Dwaallichten komen niet uit zichzelf. Ze komen ergens vandaan. Er is een moet. Ze dwalen niet vrijwillig door het nachtelijke land. Er is een geheimzinnige kracht die ze voortdrijft, die ze dwingt, van eeuwigheid tot zaligheid langs velden en wegen te dolen.
Waren het de zielen van de verongelukte schepelingen? Kwam het door de macht van het gele zacht glanzende goud dat daar diep onder de grond bedolven lag?
Wie zal het ontraadselen? Het zijn de geheime dingen waaraan de menschen niet mogen raken.
Je mag ook niet naar de dwaallichten kijken want ze brengen ongeluk. Ze trekken af van de rechte weg; ze voeren rechtstreeks naar het verderf.
Zouden die lichtjes dan toch een flauwe afglans geweest zijn van het diep in de aarde verborgen behekste goud?
In lang vervlogen dagen was er water waar nu het koren geelt.
De zee golfde ver het land in en de schepen voeren waar nu het vette Zeeuwsche vee graast.
Eens is het gebeurd dat ter plaatse van het Steenen Huis een rijk beladen Spaansch schip te gronde ging.
Wat er van de bemanning geworden is weet niemand; waar de schatten gebleven zijn evenmin.
Ligt het gele goud nog altijd in de diepte verborgen?
Wie zal weten wat diep in de aarde verborgen ligt?
Niemand kan dat weten; dat zijn geheime dingen maar in oude tijden moet er wel iets vreeselijks gebeurd zijn in die contreie. Want waar zouden ze anders vandaan gekomen zijn, de tallooze dwaallichten die er over het veld en langs de dreven doolden. Dwaallichten komen niet uit zichzelf. Ze komen ergens vandaan. Er is een moet. Ze dwalen niet vrijwillig door het nachtelijke land. Er is een geheimzinnige kracht die ze voortdrijft, die ze dwingt, van eeuwigheid tot zaligheid langs velden en wegen te dolen.
Waren het de zielen van de verongelukte schepelingen? Kwam het door de macht van het gele zacht glanzende goud dat daar diep onder de grond bedolven lag?
Wie zal het ontraadselen? Het zijn de geheime dingen waaraan de menschen niet mogen raken.
Je mag ook niet naar de dwaallichten kijken want ze brengen ongeluk. Ze trekken af van de rechte weg; ze voeren rechtstreeks naar het verderf.
Zouden die lichtjes dan toch een flauwe afglans geweest zijn van het diep in de aarde verborgen behekste goud?
Onderwerp
TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)   
Beschrijving
Bij het Stenen Huis van Walcheren is ooit een Spaans schip vergaan. Van de bemanning en het goud is nooit iets teruggevonden. Maar in die omgeving zijn wel talloze dwaallichten waargenomen. En ... ze dwalen niet vrijwillig door de nacht.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 53-54.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Stenen Huis   
Steenen Huis   
Zeeuws   
Spaans   
Naam Locatie in Tekst
Walcheren   
