Hoofdtekst
Waarom de weg tusschen 's Gravenpolder en Hoedekenskerke in zes en twintig bochten loopt
Er was al lang sprake van dat er een nieuwe weg komen moest tusschen 's Gravenpolder en Hoedekenskerke.
Dat was dan ook wel erg noodig. Er liep een soort pad, een embryo van een weggetje maar het was niet te begaan. Het was gewoonweg een bezoeking als je er met een wagen of zoo langs moest. De wielen zakten tot de assen toe in de vette klei. Het sapperde en sopperde en tenslotte bleef de kar steken. Dan moesten de dorpelingen opgetrommeld worden om de wagen weer in het rechte spoor te brengen; een bezoeking gewoonweg.
Daar moest dus een eind aan komen. Een nieuwe weg.
Goed, een nieuwe weg.
Er werd lang en breed over geredeneerd. De vroede vaderen van de beide dorpen vergaderden van de vroege morgen tot de late avond. Ze praatten de notulenboeken vol, maar zooals dat dan gaat, ze dronken een glas, ze deden een plas, en lieten de zaken zooals het was.
Dat komt, er waren moeilijkheden met die wegaanleg.
Het ging niet zoo vlot, want kijk, een weg hangt nu eenmaal niet in de lucht, waar of niet? Een weg is een reeël ding al weegt het niet.
De zaak was, die weg moest over het land loopen.
En nu was de groote vraag, over wiens land?
Ieder voor zich vond de zaak vrij gemakkelijk op te lossen. Over jouw land natuurlijk, zeiden ze.
Ja, over jouw land, maar als alle boeren dat zeggen begint het er raar uit te zien.
En zoo was het nu gesteld met die boeren van 's Gravenpolder en met die van Hoedekenskerke. Ze waren allen zonder onderscheid van mening dat de weg loopen moest over het land van hun buurman maar dat hun eigen land gespaard moest blijven.
Nee, zij konden geen stukje missen. Er moesten bieten op hè, of aardappelen of gerst of meekrab.
Wat moest er nu gebeuren?
Goede raad was duur.
Een van de beide burgemeesters bracht die raad. Of het nu de burgemeester was van 's Gravenpolder of die van Hoedekenskerke is niet bekend. Het blijkt nergens uit; uit geen enkele kroniek. Maar een feit is het dat een van die twee met de oplossing kwam.
Ze zouden het dan maar zoo doen. De beide burgemeesters zouden op de toren van hun dorpskerk klimmen. Goed begrepen?
Ja, knikten de vroede vaderen, we hebben het begrepen.
Best, en dan zou er een touw gespannen worden van de eene toren naar de andere.
Weer knikten de vroede vaderen hoewel niet een van hen begreep waar die burgemeester eigenlijk heen wilde. Ook de andere burgemeester niet.
Maar de eerste burgervader ging onverdroten verder met het ontwikkelen van zijn plan.
We nemen ieder een eind van het touw in onze handen, zei hij.
Ja, knikten de schepenen.
En dan? vroeg er eentje.
Dan? We sturen een boerenknecht met een koehoorn het land in.
Precies, knikten ze.
En die boerenknecht gaat blazen op zijn hoorn.
Juustem.
En op de derde hoornstoot laten we alle twee het touw los. En zooals het dan valt leggen we de weg. Goed?
Ja ja ja!!! Dat was prachtig!!! Dat was een oplossing!!! Zoo moest het gaan!!!
En zoo ging het ook maar .... er gebeurde een ongelukje.
Een van de burgemeesters liet het touw vallen al bij de eerste hoornstoot.
Toen de ander het merkte liet die ook gauw los maar ja, omdat het ongelijk gebeurde viel het touw in zes en twintig kronkels over het vette kleiland.
Nu, dat was dan niet volgens afspraak hè, maar de beide burgemeesters klommen toch niet weer opnieuw hun torens in. Ze vonden dat het zoo welletjes was en dat de weg nu maar aangelegd moest worden zooals het touw er bij lag.
En zoo is het geschied ook.
De weg werd zoo gebouwd en zoo komt het dat er zes en twintig bochten liggen.
Er was al lang sprake van dat er een nieuwe weg komen moest tusschen 's Gravenpolder en Hoedekenskerke.
Dat was dan ook wel erg noodig. Er liep een soort pad, een embryo van een weggetje maar het was niet te begaan. Het was gewoonweg een bezoeking als je er met een wagen of zoo langs moest. De wielen zakten tot de assen toe in de vette klei. Het sapperde en sopperde en tenslotte bleef de kar steken. Dan moesten de dorpelingen opgetrommeld worden om de wagen weer in het rechte spoor te brengen; een bezoeking gewoonweg.
Daar moest dus een eind aan komen. Een nieuwe weg.
Goed, een nieuwe weg.
Er werd lang en breed over geredeneerd. De vroede vaderen van de beide dorpen vergaderden van de vroege morgen tot de late avond. Ze praatten de notulenboeken vol, maar zooals dat dan gaat, ze dronken een glas, ze deden een plas, en lieten de zaken zooals het was.
Dat komt, er waren moeilijkheden met die wegaanleg.
Het ging niet zoo vlot, want kijk, een weg hangt nu eenmaal niet in de lucht, waar of niet? Een weg is een reeël ding al weegt het niet.
De zaak was, die weg moest over het land loopen.
En nu was de groote vraag, over wiens land?
Ieder voor zich vond de zaak vrij gemakkelijk op te lossen. Over jouw land natuurlijk, zeiden ze.
Ja, over jouw land, maar als alle boeren dat zeggen begint het er raar uit te zien.
En zoo was het nu gesteld met die boeren van 's Gravenpolder en met die van Hoedekenskerke. Ze waren allen zonder onderscheid van mening dat de weg loopen moest over het land van hun buurman maar dat hun eigen land gespaard moest blijven.
Nee, zij konden geen stukje missen. Er moesten bieten op hè, of aardappelen of gerst of meekrab.
Wat moest er nu gebeuren?
Goede raad was duur.
Een van de beide burgemeesters bracht die raad. Of het nu de burgemeester was van 's Gravenpolder of die van Hoedekenskerke is niet bekend. Het blijkt nergens uit; uit geen enkele kroniek. Maar een feit is het dat een van die twee met de oplossing kwam.
Ze zouden het dan maar zoo doen. De beide burgemeesters zouden op de toren van hun dorpskerk klimmen. Goed begrepen?
Ja, knikten de vroede vaderen, we hebben het begrepen.
Best, en dan zou er een touw gespannen worden van de eene toren naar de andere.
Weer knikten de vroede vaderen hoewel niet een van hen begreep waar die burgemeester eigenlijk heen wilde. Ook de andere burgemeester niet.
Maar de eerste burgervader ging onverdroten verder met het ontwikkelen van zijn plan.
We nemen ieder een eind van het touw in onze handen, zei hij.
Ja, knikten de schepenen.
En dan? vroeg er eentje.
Dan? We sturen een boerenknecht met een koehoorn het land in.
Precies, knikten ze.
En die boerenknecht gaat blazen op zijn hoorn.
Juustem.
En op de derde hoornstoot laten we alle twee het touw los. En zooals het dan valt leggen we de weg. Goed?
Ja ja ja!!! Dat was prachtig!!! Dat was een oplossing!!! Zoo moest het gaan!!!
En zoo ging het ook maar .... er gebeurde een ongelukje.
Een van de burgemeesters liet het touw vallen al bij de eerste hoornstoot.
Toen de ander het merkte liet die ook gauw los maar ja, omdat het ongelijk gebeurde viel het touw in zes en twintig kronkels over het vette kleiland.
Nu, dat was dan niet volgens afspraak hè, maar de beide burgemeesters klommen toch niet weer opnieuw hun torens in. Ze vonden dat het zoo welletjes was en dat de weg nu maar aangelegd moest worden zooals het touw er bij lag.
En zoo is het geschied ook.
De weg werd zoo gebouwd en zoo komt het dat er zes en twintig bochten liggen.
Beschrijving
De weg tussen 's Gravenpolder en Hoedekenskerke was zo slecht dat er een nieuwe weg moest komen. Echter: geen enkele boer wilde zijn land daarvoor afstaan. De oplossing kwam van een van de burgemeesters: zij zouden op hun kerktoren gaan staan met tussen hen in gespannen een stuk touw. Dit touw moesten ze tegelijk loslaten en dáár zou de weg komen. Maar de burgemeesters lieten het touw niet tegelijk los waardoor het touw in zesentwintig kronkels viel. En dus kreeg de weg zesentwintig kronkels.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 76-78.
Commentaar
1934
Naam Locatie in Tekst
's Gravenpolder   
Hoedekenskerke   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
