Hoofdtekst
[54.15]
RH: Zo is een favoriet verhaal van mij de ‘Koster van de Antoniuskerk’. Je hebt hier de Antoniuskerk, hier vlakbij, eh die ligt op een steenworp afstand hiervandaan. ’t Is overigens tegenwoordig de Bisschopskerk, dus de kathedraalkerk geworden. En die Antoniuskerk daar was bij toeval een zekere meneer Vermeulen, Marinus Vermeulen die was daar koster geworden. En die koster die eh was dat bij toeval, want want zijn oom was daar altijd koster geweest en hij had als jongetje, klein ventje, had ie z’n oom altijd geholpen om eh ja ’t de bloemen op ’t altaar te zetten, de kaars aan te steken, eh de kerk wat schoon te houden, grafjes te delven en dergelijk soort dingen allemaal. Dus toen die eh ouwe koster stierf, toen zei die oude pastoor van Marinus zou jij dat niet eventjes willen overnemen totdat ik een andere koster heb. Nou, dat vond ie wel errug leuk om te doen, want koster in de Antoniuskerk, een sjieke buurt, het centrum van de stad, een pastoor eh die alleen met de notabelen omging, met eh de notaris en de dokter ennuh nog eens een advocaat en een grote leverancier als Branickmeijer of weet ik wie allemaal zo in de stad. Uhm dus dat vond ie wel geweldig ja, dat ie koster werd van de Antoniuskerk. Maar dat was die inmiddels al twintig jaar dus hij was gewoon koster gebleven, maar dr was een nieuwe pastoor gekomen. En die Marinus had dus als klein joch had tie altijd geholpen en ach hij had eigenlijk nooit iets geleerd of bijgeleerd, maar hij deed z’n werk goed als koster, dat kon die. Maar die nieuwe pastoor, ja die ontdekte toch op een of andere manier, dr waren conflicten geweest. Ze lagen mekaar niet zo, die ouwe pastoor die was nog zo’n ouderwetse daar kreeg die weleens een snaar van. En ze dronken ’s morgens vaak als tie een graf had gedolven, om een uur of half 12 dronken ze al een borreltje. En eh hij had dr van genoten. Maar die nieuwe pastoor die had ook niet meer dat mooie boordje om en hij had ook die toog niet meer aan met al die knoopjes enzo. Dus hij vond het eigenlijk maar niks. En die had nog wel een kruisje op z’n revers, waaraan je kon zien dat ie priester was, maar voor de rest was het eigenlijk ja eh. Hij preekte ook niet, hij riep niet doem en verderfenis af over eh vanaf de preekstoel op zondag. ’t Was eigenlijk een nieuw lichter. Dus er moest mee gezongen worden en dr moesten stenciltjes uitgedeeld worden enzovoorts enzovoorts. En Marinus had al ‘ns een fout gemaakt, hij had met Kerstmis een stencil uitgedeeld van de Heer is waarlijk opgestaan en dat had de pastoor ‘m nogal kwalijk genomen. Dat is een beetje buiten de tijd natuurlijk. Goed maar zodoende had die nieuwe pastoor die had ontdekt dat ie niet kon lezen. Dus op zekeren zaterdag was er een doop geweest en toen zei die eh kom ns effe mee, Marinus ik wil je toch eens effe spreken. En Marinus loopt er zo achteraan, om een lang verhaal kort te maken hij zat eh in de pa… eh in de sacristie. Stond daar een tafel die die oude pastoor nog uit Rome had meegebracht, toen die naar eh de paus was geweest. Een prachtige notenhouten tafel, een Italiaanse notenhouten tafel. En daar zaten al twee kerkmeesters achter, dr zat meneer van Loveren, dr zat meneer eh Dekers achter. Die had tie niet zien binnenkomen, want Marinus hij was wel bij de tijd, als er iemand binnenkwam in de kerk dan zag die dat altijd. Maar hij had dat nu niet gezien. Afijn, hij blijft daar zo voor die tafel staan Marinus, en de pastoor, de nieuwe pastoor die gaat daar achter zitten en hij zegt: “Marinus, ja ik heb toch geconstateerd dat jij niet kunt lezen en schrijven.” “Nee, zegt ie dat kan ik niet, maar die oude pastoor die was dr van op de hoogte en die zei dat eh dr is al genoeg eh geschrijf op de wereld en uhm dat hoef jij niet te kunnen. En bovendien staat de krant tegenwoordig vol met plaatjes. Ennuh dan kan dan weet ik in ieder geval toch wel wat er aan de hand is.” Ja, toch zei hij, hij zei je zou eigenlijk gezien de huidige tijd, zou jij moeten leren lezen en schrijven. Een oude hond moet je geen kunstjes willen leren dat eh, dat nee hoor, toen ik jong was eh heb ik de kans gehad, maar eh ja ik heb altijd andere dingen gedaan, we waren thuis niet zo rijk dus ik heb eh ik heb dat niet geleerd. Meneer u doet, meneer Vermeulen u doet uw werk goed, daar gaat het niet om, maar ik vind dat je in de huidige tijd, in deze parochie zou je moeten kunnen lezen en schrijven. Nou, zegt tie, dat ben ik niet van plan. Jaha, zei één van de kerkmeesters, dan zullen we u misschien toch moeten ontslaan. Dan ontslaat u me maar. En zo stond ie na een paar weken zou die op straat staan. Die zitting loopt af en ze praten nog wat na en Marinus loopt de straat uit, de kerk uit, eh loopt de straat uit, doet de kerk op slot, loopt eh een drukke straat in. Hij dacht: “Ja, de tijden zijn veranderd. Ik zou eigenlijk wel eens een sigaartje willen hebben”, zei die. Ik heb al maanden nu die nieuwe pastoor dr is nog geen sigaartje gehad, gekregen of gehad. En hij kijkt rond in die straat en ziet nergens een eh sigarenwinkeltje. Hij dacht, weet je wat, als ik straks geen koster meer ben dan eh begin ik een siga…sigarettenwinkeltje. Daar zou toch ook nog wel eens iemand anders behoefte aan hebben in zo’n drukke straat. Na een maand vond ie een leeg pandje, hij begon daar een sigaren- en sigarettenwinkeltje en dat liep als een trein. Na een jaar dacht ie, als ik één winkeltje run, kan ik er ook wel twee runnen. En hij zocht in een andere drukke straat weer een leeg pandje en dat liep ook. Hij zette daar een zetbaas in en iedere maandag ging die met zijn aktetasje, op maandagmorgen met z’n geld, wat die over had van z’n bestellingen en z’n inkoop, ging die naar de bank. En nu ging die dus z’n filiaal langs en na tien jaar had ie wel tien of twaalf filialen en zelfs nog een paar kiosken in de stad. En hij verkocht daar ook tijdschriften en van alles en nog wat. En op zekeren dag komt ie weer bij de bank op maandagmorgen, zegt de caissière: “Meneer Vermeulen, de directeur van de bank wil u spreken.” Hij dacht pfuh weer zoiets. Heb ik iets misdaan? Nee, meneer Vermeulen de directeur van de bank wil u spreken. Nou, hij gaat die caissière achterna, de deur gaat open, meneer Vermeulen gaat u eens even zitten. En hij gaat zitten. De directeur: “Weet u wel hoeveel geld u op de bank hebt staan meneer Vermeulen?” “Ja”, zegt die, “ik doe dat nou al tien, twaalf jaar en ik kom iedere keer, iedere morgen, dat zal toch wel tegen, langzaam tegen de miljoen lopen. Maar dat is een goede voorziening voor de oude dag.” “Ja, dat snap ik wel, maar je zou met dat geld iets moeten doen. Je zou dat moeten beleggen. Je zou daar aandelen, opties eh obligaties voor moeten kopen, dergelijk soort dingen.” Ach, ’t geld is bij u goed in kas en eh ik kan daar zaken mee doen en ’t loopt allemaal goed. Meneer Vermeulen ik veronderstel toch dat, u veronderstelt toch wel dat u dat zelf niet hoeft te doen, allemaal die dingen aandelen en opties, ik snap dat u daar geen verstand van hebt, maar u hoeft alleen maar te ondertekenen en wij zorgen voor de rest. Ja zegt ie, ja, jajaja, ja ondertekenen ja, ik heb wel m’n naam leren zetten toen ik in zaken ging ja. Maar wat er dan allemaal in die contracten staat, ja dat zou ik toch niet kunnen lezen. Maar meneer Vermeulen ik veronderstel dat u toch kunt lezen en schrijven. Ja m’n naam zetten, lezen nee. Maar meneer Vermeulen u heeft een een ontzaglijke keten van tabakszaken hier in de stad opgericht, u bent een geslaagd zakenman. “Wat had u niet kunnen zijn als u had kunnen lezen en schrijven?!” “Dat kan ik u wel vertellen, dan was ik koster van den Antoniuskerk geweest.”
RH: Zo is een favoriet verhaal van mij de ‘Koster van de Antoniuskerk’. Je hebt hier de Antoniuskerk, hier vlakbij, eh die ligt op een steenworp afstand hiervandaan. ’t Is overigens tegenwoordig de Bisschopskerk, dus de kathedraalkerk geworden. En die Antoniuskerk daar was bij toeval een zekere meneer Vermeulen, Marinus Vermeulen die was daar koster geworden. En die koster die eh was dat bij toeval, want want zijn oom was daar altijd koster geweest en hij had als jongetje, klein ventje, had ie z’n oom altijd geholpen om eh ja ’t de bloemen op ’t altaar te zetten, de kaars aan te steken, eh de kerk wat schoon te houden, grafjes te delven en dergelijk soort dingen allemaal. Dus toen die eh ouwe koster stierf, toen zei die oude pastoor van Marinus zou jij dat niet eventjes willen overnemen totdat ik een andere koster heb. Nou, dat vond ie wel errug leuk om te doen, want koster in de Antoniuskerk, een sjieke buurt, het centrum van de stad, een pastoor eh die alleen met de notabelen omging, met eh de notaris en de dokter ennuh nog eens een advocaat en een grote leverancier als Branickmeijer of weet ik wie allemaal zo in de stad. Uhm dus dat vond ie wel geweldig ja, dat ie koster werd van de Antoniuskerk. Maar dat was die inmiddels al twintig jaar dus hij was gewoon koster gebleven, maar dr was een nieuwe pastoor gekomen. En die Marinus had dus als klein joch had tie altijd geholpen en ach hij had eigenlijk nooit iets geleerd of bijgeleerd, maar hij deed z’n werk goed als koster, dat kon die. Maar die nieuwe pastoor, ja die ontdekte toch op een of andere manier, dr waren conflicten geweest. Ze lagen mekaar niet zo, die ouwe pastoor die was nog zo’n ouderwetse daar kreeg die weleens een snaar van. En ze dronken ’s morgens vaak als tie een graf had gedolven, om een uur of half 12 dronken ze al een borreltje. En eh hij had dr van genoten. Maar die nieuwe pastoor die had ook niet meer dat mooie boordje om en hij had ook die toog niet meer aan met al die knoopjes enzo. Dus hij vond het eigenlijk maar niks. En die had nog wel een kruisje op z’n revers, waaraan je kon zien dat ie priester was, maar voor de rest was het eigenlijk ja eh. Hij preekte ook niet, hij riep niet doem en verderfenis af over eh vanaf de preekstoel op zondag. ’t Was eigenlijk een nieuw lichter. Dus er moest mee gezongen worden en dr moesten stenciltjes uitgedeeld worden enzovoorts enzovoorts. En Marinus had al ‘ns een fout gemaakt, hij had met Kerstmis een stencil uitgedeeld van de Heer is waarlijk opgestaan en dat had de pastoor ‘m nogal kwalijk genomen. Dat is een beetje buiten de tijd natuurlijk. Goed maar zodoende had die nieuwe pastoor die had ontdekt dat ie niet kon lezen. Dus op zekeren zaterdag was er een doop geweest en toen zei die eh kom ns effe mee, Marinus ik wil je toch eens effe spreken. En Marinus loopt er zo achteraan, om een lang verhaal kort te maken hij zat eh in de pa… eh in de sacristie. Stond daar een tafel die die oude pastoor nog uit Rome had meegebracht, toen die naar eh de paus was geweest. Een prachtige notenhouten tafel, een Italiaanse notenhouten tafel. En daar zaten al twee kerkmeesters achter, dr zat meneer van Loveren, dr zat meneer eh Dekers achter. Die had tie niet zien binnenkomen, want Marinus hij was wel bij de tijd, als er iemand binnenkwam in de kerk dan zag die dat altijd. Maar hij had dat nu niet gezien. Afijn, hij blijft daar zo voor die tafel staan Marinus, en de pastoor, de nieuwe pastoor die gaat daar achter zitten en hij zegt: “Marinus, ja ik heb toch geconstateerd dat jij niet kunt lezen en schrijven.” “Nee, zegt ie dat kan ik niet, maar die oude pastoor die was dr van op de hoogte en die zei dat eh dr is al genoeg eh geschrijf op de wereld en uhm dat hoef jij niet te kunnen. En bovendien staat de krant tegenwoordig vol met plaatjes. Ennuh dan kan dan weet ik in ieder geval toch wel wat er aan de hand is.” Ja, toch zei hij, hij zei je zou eigenlijk gezien de huidige tijd, zou jij moeten leren lezen en schrijven. Een oude hond moet je geen kunstjes willen leren dat eh, dat nee hoor, toen ik jong was eh heb ik de kans gehad, maar eh ja ik heb altijd andere dingen gedaan, we waren thuis niet zo rijk dus ik heb eh ik heb dat niet geleerd. Meneer u doet, meneer Vermeulen u doet uw werk goed, daar gaat het niet om, maar ik vind dat je in de huidige tijd, in deze parochie zou je moeten kunnen lezen en schrijven. Nou, zegt tie, dat ben ik niet van plan. Jaha, zei één van de kerkmeesters, dan zullen we u misschien toch moeten ontslaan. Dan ontslaat u me maar. En zo stond ie na een paar weken zou die op straat staan. Die zitting loopt af en ze praten nog wat na en Marinus loopt de straat uit, de kerk uit, eh loopt de straat uit, doet de kerk op slot, loopt eh een drukke straat in. Hij dacht: “Ja, de tijden zijn veranderd. Ik zou eigenlijk wel eens een sigaartje willen hebben”, zei die. Ik heb al maanden nu die nieuwe pastoor dr is nog geen sigaartje gehad, gekregen of gehad. En hij kijkt rond in die straat en ziet nergens een eh sigarenwinkeltje. Hij dacht, weet je wat, als ik straks geen koster meer ben dan eh begin ik een siga…sigarettenwinkeltje. Daar zou toch ook nog wel eens iemand anders behoefte aan hebben in zo’n drukke straat. Na een maand vond ie een leeg pandje, hij begon daar een sigaren- en sigarettenwinkeltje en dat liep als een trein. Na een jaar dacht ie, als ik één winkeltje run, kan ik er ook wel twee runnen. En hij zocht in een andere drukke straat weer een leeg pandje en dat liep ook. Hij zette daar een zetbaas in en iedere maandag ging die met zijn aktetasje, op maandagmorgen met z’n geld, wat die over had van z’n bestellingen en z’n inkoop, ging die naar de bank. En nu ging die dus z’n filiaal langs en na tien jaar had ie wel tien of twaalf filialen en zelfs nog een paar kiosken in de stad. En hij verkocht daar ook tijdschriften en van alles en nog wat. En op zekeren dag komt ie weer bij de bank op maandagmorgen, zegt de caissière: “Meneer Vermeulen, de directeur van de bank wil u spreken.” Hij dacht pfuh weer zoiets. Heb ik iets misdaan? Nee, meneer Vermeulen de directeur van de bank wil u spreken. Nou, hij gaat die caissière achterna, de deur gaat open, meneer Vermeulen gaat u eens even zitten. En hij gaat zitten. De directeur: “Weet u wel hoeveel geld u op de bank hebt staan meneer Vermeulen?” “Ja”, zegt die, “ik doe dat nou al tien, twaalf jaar en ik kom iedere keer, iedere morgen, dat zal toch wel tegen, langzaam tegen de miljoen lopen. Maar dat is een goede voorziening voor de oude dag.” “Ja, dat snap ik wel, maar je zou met dat geld iets moeten doen. Je zou dat moeten beleggen. Je zou daar aandelen, opties eh obligaties voor moeten kopen, dergelijk soort dingen.” Ach, ’t geld is bij u goed in kas en eh ik kan daar zaken mee doen en ’t loopt allemaal goed. Meneer Vermeulen ik veronderstel toch dat, u veronderstelt toch wel dat u dat zelf niet hoeft te doen, allemaal die dingen aandelen en opties, ik snap dat u daar geen verstand van hebt, maar u hoeft alleen maar te ondertekenen en wij zorgen voor de rest. Ja zegt ie, ja, jajaja, ja ondertekenen ja, ik heb wel m’n naam leren zetten toen ik in zaken ging ja. Maar wat er dan allemaal in die contracten staat, ja dat zou ik toch niet kunnen lezen. Maar meneer Vermeulen ik veronderstel dat u toch kunt lezen en schrijven. Ja m’n naam zetten, lezen nee. Maar meneer Vermeulen u heeft een een ontzaglijke keten van tabakszaken hier in de stad opgericht, u bent een geslaagd zakenman. “Wat had u niet kunnen zijn als u had kunnen lezen en schrijven?!” “Dat kan ik u wel vertellen, dan was ik koster van den Antoniuskerk geweest.”
Beschrijving
De koster uit de Antoniuskerk van Breda werd ontslagen, omdat hij niet kon lezen en schrijven. De koster, Marinus Vermeulen, besloot om een sigarenwinkeltje te beginnen. Dit liep zo goed dat hij binnen de kortste keren een hele keten van sigarenwinkels had, door de gehele stad. Marinus kwam bij de bank en daar vroeg de directeur of hij niet met al zijn verdiende geld iets wilde gaan doen, bijvoorbeeld beleggen. Marinus zag dit helemaal niet zitten en vertelde dat hij niet kon lezen en schrijven. De bankdirecteur schrok hier nogal van en vroeg: "Maar wat zou u wel niet geworden zijn als u kon lezen en schrijven?" Waarop Marinus antwoordde: "Dan zou ik koster van de Antoniuskerk geworden zijn."
Bron
Letterlijk afschrift van MP3-opname: R. Hoondert 18 okt. 2007.WAV
Commentaar
18 oktober 2007
Deel van een interview van Ruben Koman en Ilse Slootweg met Rinus Hoondert, afgenomen in de Centrale Bibliotheek te Breda. RH = Rinus Hoondert.
Naam Overig in Tekst
Marinus Vermeulen   
Heer   
Kerstmis   
Loveren   
Dekers   
Naam Locatie in Tekst
Antoniuskerk   
Bisschopskerk   
Rome   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
