Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WALLPERNE_VELUW_03 - Een Sprookje van Pomphul

Een mythe (boek), (foutieve datum)

Leonardo_Diffusion_XL_goddess_of_the_earth_19th_century_2.jpg

Hoofdtekst

EEN SPROOKJE VAN POMPHUL
De heide lag nog dor en verlaten, de plassen waren hard bevroren, de velden kaal en in hetforeest rondom de drie graf-heuvels boven aan 't Springdel 7) stonden de oude woudreuzen geheel gehuld in witte
winterpijen van rijp en ijzel en hielden de wacht, als waren ze oude grijzekrijgers uit Walhalla.
Hymer, de grimmige oude Winterreus, regeerde nog streng en hield zijn dochter Gerda, de jonge slapende aarde, gevangen in boeien van ijs. Des avonds en des ochtends ontstak hij een tooverring van vlammende
vuren rondom haar, opdat niemand haar zou kunnen naderen, en de menschen noemden deze vuren het avonden het morgenrood.
Froh, de jonge lente-zonnegod zag, uit het hemelvenster neer. Daar beneden lag de jonge schoone te sluimeren. Haar armen glansden en straalden licht op de witte wolken. Toen werd hij bevangen van groote minne en hij zond een blanken vogel naar Hymer's tuin. De vogel vloog over de vlammende vuren en zong een wonderwijsje, waarmee hij de slapende wekte. Froh zag hoe ze ontwaakte en door haar vaders hof ging.
Toen greep hij zijn zwaard „Zonnestraal", sprong op zijn ros en reed naar het verblijf van den Winterreus. Hij joeg door den laaienden vlammengloed der morgenvuren. Zijn dampend ros droeg hem voor de poorten van Gerda's
verblijf, waar het stampte dat de grond er van dreunde. Daar steeg hij af en liet het dier grazen.
Aan de poort zat een oude, aan één oog blinde, wachter met twee woedende zwarte honden, die hem den weg versperden.
Hij overwon ze met zijn blinkend zwaard. Gerda opende zelf de poort en noodigde den jongen god binnen te treden tot een gastvrijen dronk. Als hij binnen trad vulde het vertrek zich met jong lentelicht. Om hare liefde te
winnen bood hij haar elf gouden appels van de elf maanden, maar Gerda zeide hem: „Nooit wil ik deze appels als liefdeblijk van een man, nooit wil ik met u samenwonen in dezelfde zaal."
„Dan geef ik u den negenvoudigen ring van het licht;" maar zij antwoordde: „In mijns vaders tuin liggen in den grond vele groote schatten begraven. Ik heb de uwe niet van noode."
„Dwaas kind," sprak toen Froh, „wat kunt ge met al uw schatten van verborgen zaad beginnen? Als ik ze niet opwek tot gouden graan, blijven ze voor immer verborgen liggen."
Daarop stemde Gerda eindelijk toe en werd er besloten de bruiloft te vieren.
De bloemen ontloken en vlinders kwamen het paar begroeten. 't Was of de heele wereld feest ging vieren. En over de hei daar juichte de lente.
Heel de lucht kwam vol blij geruchte en door de boomen stoof luchtig gouden wiekgewuif. De oude woudreuzen schudden hun winterplunje af en
staken zich in nieuwen lichtgroenen tooi. Op een windgeweven wolk ging een zoele ademtocht over de bergen en over de velden. De koekoek sloeg wel honderd malen en duizenden kwinkeleerders pijpten in de takken. Het was er een bruiloft, een bruiloft zoo blije zoo blij. En in den maneschijn van den lentenacht toen zong er een koor van nachtegalen in 't Springdel.
Daar kwamen de lichtelven met trip'lende voetjes al omme de spreng in het dal. Van onder de struiken, van tusschen de hei; daar kwamen ze op gazen wiekjes en dwirrel de dwarrel daar zwenkten ze omme en omme, al omme de spreng rondsomme. Het was er een wolkjen van wuivende wiekjes. Het was er een schuif'ling van trip'lende voetjes rondsomme,
rondsomme. Daar wolkte een troepje witt'alfjes neer en nog een en weer een en al maar meer en 't oude bosch nu te
schateren stond, rondsomme. Van diere domdeine, van
diere domdei, de lichtalfjes dansten in ronde rij.
Rondsomme, rondsomme de bron in het dal.
Daar kwam er geen eind aan de bruiloftsvreugde. Ze
dansten en zweefden hand aan hand en vulden de lucht met
geschater.
Daar kraaide een haan ... en uit was de pret.
Ze stoven en vlogen en suizelden weg onder de struiken en
in de heg, in de hei en de vossebessen.
Toen de morgenschemer over de bergen keek wat daar toch
in het dal gebeurde, toen lag er alleen nog een eikeldopje,
een mutsje van een die 't verloren had.

Beschrijving

De winterreus Hymer houdt zijn dochter Gerda, de slapende aarde, gevangen in boeien van ijs, temidden van een ring van vuur, wat de mensen het ochtend- en avondrood noemen. Froh, de lentegod, wil met Gerda trouwen. Hij stuurt een vogel om haar te wekken en rijdt op zijn paard naar haar verblijf, waar hij de waakhonden verslaat. Gerda opent de deur voor hem en nodigt hem uit. In eerste instantie slaat ze zijn aanzoek af, maar hij overtuigt haar door te zeggen dat al haar schatten van verborgen zaad niets zijn zonder dat hij ze opwekt tot gouden graan. De bruiloft wordt gehouden, en de hele natuur viert de komst van de lente, waaronder ook de lichtelfjes.

Bron

Gust. van de Wall Perné. 1968. Veluwsche Sagen. Arnhem: Gysbers & Van Loon. [Fotografische herdruk van Veluwsche Sagen 1 en 2 uit 1917, Amsterdam: Scheltens en Giltay]. pp. 26-31.

Commentaar

Deze mythe is verwant aan verhaal dat voorkomt in het Eddalied 'skírnismál'. In de Noordse mythologie staat de vader van Gerd bekend als Gymir. Hymir is een andere reus.

Naam Overig in Tekst

Springdel    Springdel   

Hymer    Hymer   

Hymir    Hymir   

Froh    Froh   

Gerd    Gerd   

Gerda    Gerda   

Gymir    Gymir   

Zonnestraal    Zonnestraal   

Draupnir    Draupnir   

Naam Locatie in Tekst

Walhalla    Walhalla   

Freyr    Freyr   

Frøy    Frøy   

Plaats van Handelen

Hoog-Soeren    Hoog-Soeren   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20