Hoofdtekst
't Was in het jaar 1380. Een werkman vond het beeld in een der bouwloodsen; waar het toen al tientallen jaren, bestoft en beschadigd, lag. Hij wilde het in stukken kappen, maar de bouwmeester, die juist binnen kwam, verbood het hem,
....het en soude
Nyet geschiede, want het waer
Ghebeelt nae Marien, die maget claer.
Maar in de kerk wilde men het niet hebben. het zwierf van de eene hoek naar de andere. En waren zooveel beelden, die een plaatsje vroegen, en de kerk van toen, de tweede Sint Jan, was niet zoo ruim als de tegenwoordige.
Broeder Woutken, een vroom man, vroeg den koster verlof, het beeld mee naar huis te mogen nemen. Dat werd toegestaan. Samen gingen ze naar de kerk. Woutken pakte het beeld vast... hij tilde, tilde... Wat was dat? Het Lieve Vrouwke bleef onbewegelijk. 't Was plotseling duizend maal zoo zwaar geworden.
Dit wonder, dat bij andere beelden (te Schiedam, te Delft) de heele stad in beweging bracht, ging hier onopgemerkt voorbij.
Maar denzelfden dag nog ging broeder Woutken naar dan schilder van Vlijmen en vroeg of hij het wilde bijschilderen. De kunstenaar weigerde, doch zijn zoon bestreek de wangen lachend met wat gele verf.
't Was bij lange niet mooi, en Woutken maakte van twee stukken lijnwaad een mantel voor O.L. Vrouw en zette het beeld op het altaar van den H. Martinus.
Velen, die het beeld zagen, schaterden het uit. Een vrouw spotte; met een doffe slag viel ze op den grond "haer was wee te moede".
Maria vertoonde zich aan een andere spotster en beval haar beeld te laten "ververven".
....Ende ommer zoe bevel ick dy
Dat ghy ververve daer my
Ghy sult uwen nooit verwinnen
En dat ewighe leven winnen....
Niet lang daarna bracht een jonkvrouw, Oda, een groote som bijeen - twee petersgulden - en liet door een kunstenaar het beeld rijk en schoon beschilderen.
Nog geen jaar later brak er in de kapel een hevige brand uit. Geen redding scheen mogelijk voor het beeld, zoo fel laaiden de vlammen op.
Maar Maria redde zelf haar beeld - de rosse vuurgloed wijkt voor een hemelsche glans. Moedig loopt nu een vrouw naar voren en brengt 't beeld, hoewel met verschroeide mantel, in veiligheid.
Elk jaar trok de processie van de Zoete Moeder door de straten van den Bosch. Dit was ingesteld, sinds de pest de stad teisterde. Toen werd het beeld negen dagen achtereen in plechtige ommegang rondgedragen, daarop verdween de ziekte.
Eens, dat de processie weer plaats zou hebben, was het zoo'n noodweer, dat de koordeken besloot de ommegang uit te stellen. Het beeld bleef in de kapel. Den volgenden morgen echter vond men het terug, tot aan de gordel beslijkt. Maria had 's nachts alleen de tocht volbracht. Sindsdien kon weer noch wind de processie beletten.
Na de verovering van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik bracht men het beeld naar Brussel, vanwaar het eerst in 1853 naar de stad terugkeerde. In het cholerajaar 1866 werd ook de ommegang weer hersteld.
Onderwerp
SINLEG 0133 - Das Bild kann nicht an einem anderen Ort gesetzt werden; es ist nicht aufzuheben.   
Beschrijving
Later brak er brand uit, maar Maria beschermde haar beeld, dat ongeschonden het vuur doorstond.
Eens zou het beeld met de processie meegedragen worden, maar deze werd uitgesteld vanwege het weer. De volgende ochtend vond men het beeld, dat geheel besmeurd was; Maria had zelf de ommegang volbracht.
Het beeld is lange tijd in Brussel gebleven, maar keerde in 1853 terug.
Bron
Commentaar
Bron:
Kronenburg, Maria's Heerlijkheid VI, 236 vlg. Lit. aldaar.
Ter verg.: Mariabeeld kan niet verplaatst worden. O. L. Vrouw ter Koorts te Leuven. O. L. Vrouw van Troost te Vilvoorde. O. L. Vrouw van 't Staatsken te Antwerpen. O. L. Vrouw van Sutendael. O. L. Vrouw van Schiedam. O. L. Vrouw ter Noot Gods te Delft.
Naam Overig in Tekst
Sint Jan   
Maria   
Woutken   
Martinus   
Sint Martinus   
Frederik Hendrik   
Naam Locatie in Tekst
Den Bosch   
's-Hertogenbosch   
Schiedam   
Delft   
Vlijmen   
Oda   
Brussel   
