Hoofdtekst
[44.40]
IML: Stan is een klein mannetje en hij woont met z'n vrouw in een klein schattig huisje, wit met rooie daken, aan de rand van het bos. En hij heeft voor z'n huis een tuin en achter z'n huis een tuin. En achter z'n tuin, achter in de tuin staat een appelboom en een perenboom en een notenboom, dr zijn bloemen in alle kleuren en dr is een kleine koe die lekkere melk geeft. En aan 't eind van de dag vindt Stan het heerlijk om met z'n rug tegen de notenboom te zitten en de laatste zonnestralen op z'n gezicht te voelen. Stan is heel gelukkig, hij is vooral gelukkig met z'n lieve vrouw. Maar hij merkt de laatste tijd dat zijn vrouw verdrietig is. En eigenlijk wil z'n vrouw niet toegeven waarom, maar uiteindelijk vertelt ze 't toch: "Stan, ik durf het bijna niet te zeggen, we hebben alles, we hebben alles al en toch ben ik verdrietig, begrijp jij het dan?" Nee, Stan begrijpt het niet. Hij is wijs en hij vraagt aan zijn vrouw: "Begrijp je het zelf wel?" En dan zegt zij: "Ik heb alles al, maar wat ik zo graag zou willen, ik zou zo graag kinderen willen hebben." En dan moet zelfs Stan bijna huilen, want hij wil ook wel kinderen. Maar hij merkt ook, hij beseft ook, ja huilen heeft geen zin. Dus hij besluit, weet je wat, weet je wat ik ga doen, ik ga naar de tovenaar. En Stan pakt z'n knapzak, bindt 'm aan een stok, legt 'm over z'n schouder en gaat door 't hele grote bos naar de tovenaar. De tovenaar woont precies aan de andere kant van het bos, net zoals ik hier in Drunen woon en Udenhout aan de andere kant ligt. Hij loopt door 't grote bos en daar aan de andere kant, voor 't huisje van de tovenaar, ziet ie de tovenaar ook op z'n bank. Hij heeft een glazen bol in z'n hand, hij kijkt erin en dan kijkt ie naar Stan. En Stan gaat voor 'm staan en zegt: "Tovenaar, mijn vrouw en ik hebben één grote wens, we willen zo graag kinderen." "Ja", zegt de tovenaar, "dat weet ik al lang, weet je het zeker Stan, want kinderen die geven zorgen." "Dat kan", zegt Stan, "maar ik wil het wel." "Maar kinderen geven hele grote zorgen." "Kan toch, maar ik wil het toch." "Nou Stan", zegt de tovenaar, hij kijkt nog eens in zijn bol en zegt: "Ga nou maar, want de kinderen zijn er al." En Stan gaat terug door het grote bos, hij is moe en hij is arm, maar heel gelukkig. En als die aan het eind van de bosrand komt, dan hoort ie iets en wat is dat... dat is m'n vrouw, ik hoor m'n vrouw lachen, dat is lang geleden. En als Stan dan het bos uitstapt, dan hoort ie nog, maar hij ziet vooral nog meer. Hij ziet kinderen in z'n voortuin, in z'n achtertuin, achter alle ramen, achter de zolderramen, overal kinderen en daar middenin staat z'n vrouw te schateren van 't lachen. En Stan zegt: "Vrouw, al die kinderen, hoeveel zijn 't er wel niet, 't zijn er zeker wel honderd!" "Honderd", zegt z'n vrouw, "en geen één te veel." En die kinderen die maken geluid, natuurlijk, ze ren.. ze lachen en ze gillen, en ze ze maken ook ruzie. En wat Stan dan ziet, ze zijn ook allemaal bloot. Dus Stan en z'n vrouw gaan direct aan 't werk. Van alle gordijnen en alle lakens maken ze kleren. Van de overkleren van van de vrouw en van de kleren van Stan, worden honderd broekjes, honderd jasjes, honderd jurkjes, honderd rokjes gemaakt. Maar ondertussen beginnen de kinderen te roepen: "Mammie ik heb honger, pappie ik heb dorst!" En Stan en z'n vrouw maken eten, maar 't meel raakt op en zelfs 't geld raakt op. Dan besluit Stan, hier moet iets anders gebeuren. En hij zegt tegen z'n vrouw: "Ik trek de grote wereld in en ik ga kijken wat ik hier aan kan doen." En na een lange nacht, een lange dag wandelen, komt ie op een grote hei en daar is net een schaapsherder bezig om alle schapen weer bijeen te drijven in de schaapskooi. En Stan verstopt zich gauw onder een struik, dat is mooi, denkt ie, dan kan ik morgen mooi twee schapen stelen. Ja 't hoort wel niet, maar ik heb thuis wel honderd kinderen die honger hebben. En Stan verstopt zich onder de struik en blijft daar wachten en dan tegen middernacht, als een wolk, net voorbij de maan, hoort Stan een vreemd geluid: ksiieieieh [verteller maakt een hard geluid]. En Stan maakt zich helemaal klein onder z'n struik, hij kijkt wel waar dat vreemde geluid vandaan komt, hij kijkt nog eens goed: 't is groot, 't heeft vleugels, 't is groen en oranje en hij spuwt vuur, 't is een draak! En Stan maakt zich nog kleiner. En dan ziet ie hoe die draak naar beneden duikt, op de schaapskooi af en dan in z'n vlucht neemt ie in alle vier z'n klauwen een schaap en dan in z'n bek nog twee en dan vertrekt ie weer. Je begrijpt, een hels kabaal in die schaapskooi, alle schapen in paniek, ze rennen door elkaar, springen over de omheining, de schaapsherder rent dr achteraan en de hond ook. En daar achteraan rent Stan, hij probeert de herder te red... eh te helpen. En als eindelijk alle schapen weer terug zijn in de kooi, zakken de schaapsherder en Stan naast elkaar op de grond. En Stan vraagt zich af wat hier toch gebeurt en de herder vertelt dat dit elke nacht zo gebeurd, elke nacht komt de herder eh de draak terug en haalt een zes schapen. "En als 't nog even zo doorgaat", zegt ie, "als 't nog even zo doorgaat dan heb ik straks geen schapen meer." Stan heeft ondertussen een stuk brood en een stuk kaas uit de tas van de herder gepakt. En nu die wat in z'n maag heeft, heeft ie ook moed. En hij zegt tegen de herder: "Als ik die scha... die draak voor jou versla, krijg ik dan van jou te eten?" "Of jij dan van mij te eten krijgt, ha dan mag jij een derde van mijn kudde hebben." "Das goed", zegt Stan. Hij heeft alleen nog geen idee hoe die 't aan zal pakken. Maar goed, hij heeft gegeten en de rest van de nacht slaapt ie lekker. En de volgende dag brengt ie ontspannen door, totdat 't avond wordt en de maan langzaam opkomt en Stan voelt kriebeltjes in z'n buik. Hij verstopt zich opnieuw onder de struik en weer tegen middernacht hoort ie dat vreemde geluid. Nu weet ie wat er aan komt, hij ziet zelfs op de vleugels en op de kop de schubben van de draak en hij ziet 't vuur. Hij ziet de draak naar beneden komen, hij komt af op de schaapskooi. "Hola!" [verteller schreeuwt] en Stan springt op: "En wat kom jij hier doen?!", schreeuwt ie tegen de draak. En de draak klettert neer: "Wat ik hier kom doen? Dat moet ik aan jou vragen!" "Moet jij dat aan mij vragen? Ik ben Stan Boli Fan en ik ben een reus en ik heb me omgetoverd tot mens." En eh, hij zegt dr achteraan: "En ik eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden, die smeer ik lekker op mijn brood." "Heueh, dan moet je wel met me vechten", zegt de draak, een beetje met een bibberstem. "Ik met jou vechten, nou kom maar op!" "Heh, nou nee toch maar niet en eh." De draak wil vertrekken en draait zich half om. Maar Stan laat dat zomaar niet gebeuren. "En waar ga jij naartoe?" "Ik eh ga naar huis." "Ja, maar jij kan zomaar niet vertrekken, ik heb nog een appeltje met jou te schillen." "Hoezo dan?" "Nou, jij hebt al die schapen hier gehaald en die schapen zijn van mij en die man daar die is bij mij in dienst. Dus eh betalen jij!" Maar de draak heeft geen geld bij zich. Hij wordt groen en geel van angst, hij begint te bibberen en dan zegt ie tegen Stan: "Ik heb nu geen geld bij me, maar als jij meegaat naar mijn huis, waar mijn moeder ook woont en daar drie dagen blijft, als je mijn moeder drie dagen gezelschap kan houden en het haar naar dr zin kan maken dan krijg je van haar zeven zakken goud per dag. Is dat een goed idee?" Nou, Stan vindt het eigenlijk helemaal geen goed idee, maar hij kan niet anders en hij zegt: "Dat is een goed idee." En hij klimt achterop de rug van de draak en de draak vliegt rechtstreeks terug naar het drakenhuis. Daar staat de moederdraak al te wachten, haar ogen zijn zo scherp, die stralen door de donkere nacht. En uit de verte ziet ze haar zoon al aankomen zonder schapen. "Geen schapen?!" Schreeuwt ze door de nacht. Mijn moeder is een beetje opvliegend, zegt de draak tegen Stan op zijn rug. Weet je wat, ik zal je hier af zetten, dan zal ik haar wel vertellen wie je bent. Nou Stan vindt dat een prima idee, zo snel die kan springt die van de drakenrug af en verstopt zich achter een boom. En die draak gaat naar z'n moeder en hij vertelt haar: "Ik heb hier toch een sterke man bij me, hij eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden die smeert ie op z'n brood." "Ha, ha ha", lacht de drakenmoeder. "Ik wil wel eens zien wie van jullie het sterkste is." En ze laat Stan komen en Stan krijgt daar een bed en slaapt daar 's nachts in het allergrootste en zachtste bed dat ie ooit heeft gezien, als je denkt dat ie lekker sliep dan vergis je je. De volgende morgen aan het ontbijt zegt de drakenmoeder tegen haar zoon en tegen Stan: "Ik wil wel eens zien wie van jullie twee het sterkste is. Pak de knots achter uit de schuur en kijk wie hem het verste weg kan gooien." En de draak, de drakenzoon, pakt dus de knots en hij zwaait 'm boven z'n hoofd en drie kilometer verder komt ie terecht. De draak en Stan lopen naast elkaar d'r naartoe en Stan denkt ondertussen: "Hoe, hoe moet ik dit oplossen?" En als ze komen bij de knots, dan ziet Stan dat ie half in de grond ligt, zo hard is tie neergekomen. Hij kijkt dr peinzend naar, al had ik hier tien sterke mannen dan kreeg ik dat nog niet voor mekaar. Tegen de draak zei die: "Das nou ook jammer." "Wat is jammer?" "Nou, als ik die knots gooi dan kan die jouw kop wel eens vermorzelen." "Mijn kop vermorzelen?" "Ja, want als ik die gooi, dan komt ie vanzelf terug, want ik heb magnetische handen. En alles wat er in de weg zit, dat wordt vermorzeld door de knuppel, door de knots." "Maar je hoeft niet nu te gooien hoor", zei de draak. "Zullen we eerst wat gaan eten?" En nog voordat ie uitgesproken is, rent ie terug naar huis en haalt eten. En de rest van de middag zitten Stan en de draak te eten. Pas als de maan weer opkomt, zegt Stan: "Weet je wat", hij staat op, "ik zal de knots gaan gooien, ik zal 'm naar de maan gooien, dan komt ie niet meer terug." "Naar de maan? Nee, die knots is van mijn grootvader, die mag je niet naar de maan gooien." "Ja, maar ik moet 'm gooien", zegt Stan." "Nee, niet naar de maan, niet naar de maan, niet weggooien." "En toch gooi ik hem", zegt Stan. "Alsjeblieft mag ik hem dan voor je gooien? Dan krijg je zeven zakken goud van mij cadeau." En daar zegt Stan geen nee op. En de draak gooit de knots, hij gooit 'm terug naar huis, niet drie kilometer, maar 4 kilometer ver. En als Stan en de draak daar aankomen, dan zegt Stan: "Zo mooi, jij 3 ik 4 kilometer, ik heb gewonnen." "Ja", zei de draak, "en ik vind het helemaal niet leuk." En hij loopt boos terug naar het huis van zijn moeder. Daar krijgt ook moeder toch wel een beetje de schrik. Maar de volgende dag heeft ze een nieuwe opdracht. "Ikke wil dat jullie het water uit de bron halen. Achter in de schuur liggen 7 eh 12 ossenhuiden, gebruik die maar." En de draak laad de 12 ossenhuiden op z'n rug en samen met Stan loopt ie naar de bron en daar begint de draak ossenhuiden te vullen en brengt ze, kan je nagaan zulke grote ossenhuiden vol met water, terug naar huis. Stan gaat ernaast zitten en als de draak heel veel water heeft weggebracht, vraag tie aan Stan, komt ie terug en ziet Stan voorovergebogen staan met een zakmes in zijn hand en daarmee snijdt ie in de grond. "Wat ben jij nou aan het doen?" vraagt de draak. "Nou, dat zie je toch, ik graaf de bron wel op. Je hebt toch, je denkt toch niet dat ik met al die zakken water ga sjouwen, dat is me te veel moeite." "De bron opsjouwen op eh opgraven? Dat kan niet, want die is van m'n grootvader." "Ja, dat kan wel maar je denkt toch niet dat ik zo voor jouw moeder, zo eh ga sjouwen." "Nee, niet doen niet doen! Mag ik het voor je doen, mag ik het voor je sjouwen? Je krijgt van mij zeven zakken goud." En ook daarin stemt Stan toe. En de draak loopt de hele dag te sjouwen, met alle ossenhuiden zakken vol met water. En aan het eind van de dag is die moe. "Tja", denkt Stan, "nog één nacht en nog één dag." En hij gaat weer liggen in dat hele grote bed, hij slaapt nu beter dan de eerste nacht. En de volgende dag heeft de moeder opnieuw een opdracht. "Halen jullie van mij hout uit het bos, haal hou.. eh bomen, dat is goed eh voor brandhout." En de draak en Stan gaan naar het bos en de draak slaat z'n armen om de bomen, z'n voorpoten om de bomen en rukt zo de bomen uit het bos. En Stan staat erbij te kijken, ja. En de draak sjouwt zich rot, maar Stan gaat weer zitten tegen de boom, net zoals die thuis doet, met de zon op z'n gezicht. O nee, daar is dat niet. Hij eh klimt klimt eh hij klimt een boom in en aan die bovenste tak bindt ie een slingerplant en dan kruipt ie weer naar beneden en in de volgende boom kruipt ie omhoog, bindt daar dezelfde slingerplant vast, klimt weer naar beneden en doet bij de volgende bomen steeds weer opnieuw hetzelfde. "Wat ben jij nou aan het doen?" vraagt de draak. "Oh, ik bind alle bomen aan elkaar, dan trek ik ze er in één keer uit, dat is niet zoveel moeite." "Nou maar dat moet je niet doen, dat is het bos van m'n grootvader!" "Ja, nou en, jij eh loopt te sjouwen elke keer, maar ik ben niet van plan om elke boom dr stuk voor stuk uit te halen voor jouw moeder." "Niet doen, niet doen mag ik 't dan voor je doen?! Zeven zakken goud krijg je dr voor." Je gaat je gang maar zegt Stan en hij gaat zelf lekker zitten net als thuis met z'n rug tegen de boom en met de zon op z'n gezicht. En de draak die sjouwt en die sjouwt en aan het eind van de dag is tie weer kapot. Ze gaan aan tafel en ze eten en Stan denkt: "Nog een dag en dan ga ik naar huis." Hij gaat vroeg naar bed, maar hij hoort hoe de draak en z'n moeder aan de tafel nog blijven praten. "Die man die maakt me helemaal arm", zegt de drakenmoeder. "Je moet 'm eh je we moeten dr vanaf komen." "Moet ik daarvoor zorgen", vraagt de zoon. "Ikke niet, ik ben veel te bang voor 'm." "Ja, maar jij hebt 'm hier gebracht." "Ja, maar dan, wat moest ik dan anders zou die me op z'n brood smeren." "Jij gaat 'm dood maken", zegt de moeder. Stan heeft alles gehoord. En hij kruipt z'n bed uit en het raam uit, heel zachtjes, en dan pakt ie het varkenskot, eh nee dat is 't hok, de trog en die brengt die naar z'n bed. En hij vult 'm met aarde, doet daar 't dekbed over zodat het net is alsof Stan zelf in het bed ligt. Zelf echter, kruipt ie onder het bed en hij wacht. En niet lang daarna hoort ie de deur opengaan en hij ziet daar de drakenpoten binnenkomen en hij ziet de knots over de grond slepen. [verteller stampt met haar voeten op de grond] Steeds dichterbij komen die poten en Stan [verteller maakt snurkgeluiden] doet alsof die slaapt. En dan verdwijnt de knots uit het zicht van Stan en een halve tel later: kieaap [verteller maakt een hard dreunend geluid en komt op uit haar stoel] de knots komt met een enorme slag neer op het bed. Haha, lacht de draak, die is dr geweest. Stan, bibberend van schrik, ziet dat de poten van de draak zich omdraaien en dat ze verdwijnen door de deur. Hij blijft nog even liggen en dan komt ie z'n bed uit. Hij haalt de varkenstrog uit bed, brengt 'm terug naar de stal en de aarde ook. En dan kruipt ie in het bed, gelukkig is het groot genoeg, hij kan ook nog ergens liggen zonder in 't zand, zonder in de aarde te liggen. Hij hoort dan ook dat de draken zelf ook slapen gaan en de volgende dag zitten ze opnieuw aan het ontbijt. Stan komt de kamer binnen: "Goedemorgen, hebben jullie lekker geslapen?" Heh.... Hij ziet de draken niet geel en groen worden maar bleek van schrik. "Wij hebben lekker geslapen", zegt de drakenmoeder. "Jij ook?" Ze kijkt 'm aan alsof die een spook is. "Nee, ik heb niet zo lekker geslapen", zegt Stan. "Dr zat een rat in m'n kamer, maar dat gaf niet hoor ik pakte 'm bij z'n staart en ik heb 'm naar buiten gegooid, daar zal ik vannacht geen last meer van hebben." "Vannacht!! Je gaat toch weg?!" "Nou", zegt Stan, "ik heb 't hier eigenlijk wel goed naar m'n zin, ik wilde nog wat langer blijven." "Langer blijven?" En de draken keken elkaar aan, langer blijven "kom, kom", zegt de moeder en ze haalt haar zoon mee de kamer uit. "We moeten van 'm af, we moeten van 'm af!" zegt ze. En dan gaat de drakenmoeder weer terug naar de kamer en haar zoon gaat zakken met goud vullen. "Het spijt me", zegt moeder tegen Stan, "wij zouden juist op vakantie gaan, dus 't is wel gezellig, maar je moet nu echt gaan." En dan loopt Stan mee naar waar eh de zakken goud staan, hij kijkt om zich heen: 84 zakken goud. Maar Stan heeft een probleem en daarom zegt ie enige tijd niks. "Is 't niet goed, is 't niet genoeg?" vraagt de moeder. "Nou", zegt Stan, "als ik hiermee thuis kom, dan lachen ze me uit. Dan zeggen ze: vadertje Stan wat een drakerig klein beetje." En de draken gaan snel aan de gang en ze maken nog meer zakken goud klaar, nog meer zakken goud. En Stan kijkt met grote ogen, z'n gedachten gaan koortsachtig heen en weer, want hoe krijgt hij die zakken goud naar huis? En als dan alles klaarstaat, vraagt de drakenmoeder nog één keer: "Is 't goed zo, is 't goed zo?" "Nou, hier kan ik wel mee thuiskomen", antwoordt Stan. "Maar je denkt toch niet dat ik dit ga dragen hè? Als ik zo thuiskom, lachen ze me uit: vadertje Stan, vadertje Stan sjouw jij zelf met al die zakken goud? Dus eh..." "Nee, nee, kom ik begrijp 't al ik begrijp 't al", zegt de drakenmoeder. En ze geeft haar zoon direct de zakken in z'n bek en op z'n rug en onder z'n vleugels, overal zakken goud. En zo gaan de draak en Stan samen op weg, de draak kan bijna niet om zich heen kijken, hij is beladen met goud. Een hele tijd zeggen ze niets, maar als ze vlak in de buurt van 't huis van Stan komen, zegt Stan: "Wil je dr wel rekening mee houden, ik moet je waarschuwen, ik heb honderd kinderen en die eten 't allerliefst drakenvlees." En ze zijn nog maar een heel klein stukje verder en hebben de kinderen de stem van Stan gehoord, ze zitten met z'n allen aan tafel te zingen, want eten hebben ze niet, maar als je zingt heb je minder honger. En allemaal hebben ze hun mes en vork in de hand en slaan dr mee op tafel, maar buiten horen ze geluid en ze rennen dr mee naar buiten: "Vadertje Stan, vadertje Stan". Met mes en vork in de hand: "Ben je daar, we hebben honger, we lusten wel honderd draken!" "Hoor je dat?" vraagt Stan. Maar de draak hoort niets meer, hij heeft alle zakken goud laten vallen en is er als een haas vandoor. En Stan en z'n vrouw en hun honderd kinderen leefden nog lang en rijk en heel gelukkig. En als ze niet gestorven zijn leven ze nu nog.
IML: Stan is een klein mannetje en hij woont met z'n vrouw in een klein schattig huisje, wit met rooie daken, aan de rand van het bos. En hij heeft voor z'n huis een tuin en achter z'n huis een tuin. En achter z'n tuin, achter in de tuin staat een appelboom en een perenboom en een notenboom, dr zijn bloemen in alle kleuren en dr is een kleine koe die lekkere melk geeft. En aan 't eind van de dag vindt Stan het heerlijk om met z'n rug tegen de notenboom te zitten en de laatste zonnestralen op z'n gezicht te voelen. Stan is heel gelukkig, hij is vooral gelukkig met z'n lieve vrouw. Maar hij merkt de laatste tijd dat zijn vrouw verdrietig is. En eigenlijk wil z'n vrouw niet toegeven waarom, maar uiteindelijk vertelt ze 't toch: "Stan, ik durf het bijna niet te zeggen, we hebben alles, we hebben alles al en toch ben ik verdrietig, begrijp jij het dan?" Nee, Stan begrijpt het niet. Hij is wijs en hij vraagt aan zijn vrouw: "Begrijp je het zelf wel?" En dan zegt zij: "Ik heb alles al, maar wat ik zo graag zou willen, ik zou zo graag kinderen willen hebben." En dan moet zelfs Stan bijna huilen, want hij wil ook wel kinderen. Maar hij merkt ook, hij beseft ook, ja huilen heeft geen zin. Dus hij besluit, weet je wat, weet je wat ik ga doen, ik ga naar de tovenaar. En Stan pakt z'n knapzak, bindt 'm aan een stok, legt 'm over z'n schouder en gaat door 't hele grote bos naar de tovenaar. De tovenaar woont precies aan de andere kant van het bos, net zoals ik hier in Drunen woon en Udenhout aan de andere kant ligt. Hij loopt door 't grote bos en daar aan de andere kant, voor 't huisje van de tovenaar, ziet ie de tovenaar ook op z'n bank. Hij heeft een glazen bol in z'n hand, hij kijkt erin en dan kijkt ie naar Stan. En Stan gaat voor 'm staan en zegt: "Tovenaar, mijn vrouw en ik hebben één grote wens, we willen zo graag kinderen." "Ja", zegt de tovenaar, "dat weet ik al lang, weet je het zeker Stan, want kinderen die geven zorgen." "Dat kan", zegt Stan, "maar ik wil het wel." "Maar kinderen geven hele grote zorgen." "Kan toch, maar ik wil het toch." "Nou Stan", zegt de tovenaar, hij kijkt nog eens in zijn bol en zegt: "Ga nou maar, want de kinderen zijn er al." En Stan gaat terug door het grote bos, hij is moe en hij is arm, maar heel gelukkig. En als die aan het eind van de bosrand komt, dan hoort ie iets en wat is dat... dat is m'n vrouw, ik hoor m'n vrouw lachen, dat is lang geleden. En als Stan dan het bos uitstapt, dan hoort ie nog, maar hij ziet vooral nog meer. Hij ziet kinderen in z'n voortuin, in z'n achtertuin, achter alle ramen, achter de zolderramen, overal kinderen en daar middenin staat z'n vrouw te schateren van 't lachen. En Stan zegt: "Vrouw, al die kinderen, hoeveel zijn 't er wel niet, 't zijn er zeker wel honderd!" "Honderd", zegt z'n vrouw, "en geen één te veel." En die kinderen die maken geluid, natuurlijk, ze ren.. ze lachen en ze gillen, en ze ze maken ook ruzie. En wat Stan dan ziet, ze zijn ook allemaal bloot. Dus Stan en z'n vrouw gaan direct aan 't werk. Van alle gordijnen en alle lakens maken ze kleren. Van de overkleren van van de vrouw en van de kleren van Stan, worden honderd broekjes, honderd jasjes, honderd jurkjes, honderd rokjes gemaakt. Maar ondertussen beginnen de kinderen te roepen: "Mammie ik heb honger, pappie ik heb dorst!" En Stan en z'n vrouw maken eten, maar 't meel raakt op en zelfs 't geld raakt op. Dan besluit Stan, hier moet iets anders gebeuren. En hij zegt tegen z'n vrouw: "Ik trek de grote wereld in en ik ga kijken wat ik hier aan kan doen." En na een lange nacht, een lange dag wandelen, komt ie op een grote hei en daar is net een schaapsherder bezig om alle schapen weer bijeen te drijven in de schaapskooi. En Stan verstopt zich gauw onder een struik, dat is mooi, denkt ie, dan kan ik morgen mooi twee schapen stelen. Ja 't hoort wel niet, maar ik heb thuis wel honderd kinderen die honger hebben. En Stan verstopt zich onder de struik en blijft daar wachten en dan tegen middernacht, als een wolk, net voorbij de maan, hoort Stan een vreemd geluid: ksiieieieh [verteller maakt een hard geluid]. En Stan maakt zich helemaal klein onder z'n struik, hij kijkt wel waar dat vreemde geluid vandaan komt, hij kijkt nog eens goed: 't is groot, 't heeft vleugels, 't is groen en oranje en hij spuwt vuur, 't is een draak! En Stan maakt zich nog kleiner. En dan ziet ie hoe die draak naar beneden duikt, op de schaapskooi af en dan in z'n vlucht neemt ie in alle vier z'n klauwen een schaap en dan in z'n bek nog twee en dan vertrekt ie weer. Je begrijpt, een hels kabaal in die schaapskooi, alle schapen in paniek, ze rennen door elkaar, springen over de omheining, de schaapsherder rent dr achteraan en de hond ook. En daar achteraan rent Stan, hij probeert de herder te red... eh te helpen. En als eindelijk alle schapen weer terug zijn in de kooi, zakken de schaapsherder en Stan naast elkaar op de grond. En Stan vraagt zich af wat hier toch gebeurt en de herder vertelt dat dit elke nacht zo gebeurd, elke nacht komt de herder eh de draak terug en haalt een zes schapen. "En als 't nog even zo doorgaat", zegt ie, "als 't nog even zo doorgaat dan heb ik straks geen schapen meer." Stan heeft ondertussen een stuk brood en een stuk kaas uit de tas van de herder gepakt. En nu die wat in z'n maag heeft, heeft ie ook moed. En hij zegt tegen de herder: "Als ik die scha... die draak voor jou versla, krijg ik dan van jou te eten?" "Of jij dan van mij te eten krijgt, ha dan mag jij een derde van mijn kudde hebben." "Das goed", zegt Stan. Hij heeft alleen nog geen idee hoe die 't aan zal pakken. Maar goed, hij heeft gegeten en de rest van de nacht slaapt ie lekker. En de volgende dag brengt ie ontspannen door, totdat 't avond wordt en de maan langzaam opkomt en Stan voelt kriebeltjes in z'n buik. Hij verstopt zich opnieuw onder de struik en weer tegen middernacht hoort ie dat vreemde geluid. Nu weet ie wat er aan komt, hij ziet zelfs op de vleugels en op de kop de schubben van de draak en hij ziet 't vuur. Hij ziet de draak naar beneden komen, hij komt af op de schaapskooi. "Hola!" [verteller schreeuwt] en Stan springt op: "En wat kom jij hier doen?!", schreeuwt ie tegen de draak. En de draak klettert neer: "Wat ik hier kom doen? Dat moet ik aan jou vragen!" "Moet jij dat aan mij vragen? Ik ben Stan Boli Fan en ik ben een reus en ik heb me omgetoverd tot mens." En eh, hij zegt dr achteraan: "En ik eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden, die smeer ik lekker op mijn brood." "Heueh, dan moet je wel met me vechten", zegt de draak, een beetje met een bibberstem. "Ik met jou vechten, nou kom maar op!" "Heh, nou nee toch maar niet en eh." De draak wil vertrekken en draait zich half om. Maar Stan laat dat zomaar niet gebeuren. "En waar ga jij naartoe?" "Ik eh ga naar huis." "Ja, maar jij kan zomaar niet vertrekken, ik heb nog een appeltje met jou te schillen." "Hoezo dan?" "Nou, jij hebt al die schapen hier gehaald en die schapen zijn van mij en die man daar die is bij mij in dienst. Dus eh betalen jij!" Maar de draak heeft geen geld bij zich. Hij wordt groen en geel van angst, hij begint te bibberen en dan zegt ie tegen Stan: "Ik heb nu geen geld bij me, maar als jij meegaat naar mijn huis, waar mijn moeder ook woont en daar drie dagen blijft, als je mijn moeder drie dagen gezelschap kan houden en het haar naar dr zin kan maken dan krijg je van haar zeven zakken goud per dag. Is dat een goed idee?" Nou, Stan vindt het eigenlijk helemaal geen goed idee, maar hij kan niet anders en hij zegt: "Dat is een goed idee." En hij klimt achterop de rug van de draak en de draak vliegt rechtstreeks terug naar het drakenhuis. Daar staat de moederdraak al te wachten, haar ogen zijn zo scherp, die stralen door de donkere nacht. En uit de verte ziet ze haar zoon al aankomen zonder schapen. "Geen schapen?!" Schreeuwt ze door de nacht. Mijn moeder is een beetje opvliegend, zegt de draak tegen Stan op zijn rug. Weet je wat, ik zal je hier af zetten, dan zal ik haar wel vertellen wie je bent. Nou Stan vindt dat een prima idee, zo snel die kan springt die van de drakenrug af en verstopt zich achter een boom. En die draak gaat naar z'n moeder en hij vertelt haar: "Ik heb hier toch een sterke man bij me, hij eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden die smeert ie op z'n brood." "Ha, ha ha", lacht de drakenmoeder. "Ik wil wel eens zien wie van jullie het sterkste is." En ze laat Stan komen en Stan krijgt daar een bed en slaapt daar 's nachts in het allergrootste en zachtste bed dat ie ooit heeft gezien, als je denkt dat ie lekker sliep dan vergis je je. De volgende morgen aan het ontbijt zegt de drakenmoeder tegen haar zoon en tegen Stan: "Ik wil wel eens zien wie van jullie twee het sterkste is. Pak de knots achter uit de schuur en kijk wie hem het verste weg kan gooien." En de draak, de drakenzoon, pakt dus de knots en hij zwaait 'm boven z'n hoofd en drie kilometer verder komt ie terecht. De draak en Stan lopen naast elkaar d'r naartoe en Stan denkt ondertussen: "Hoe, hoe moet ik dit oplossen?" En als ze komen bij de knots, dan ziet Stan dat ie half in de grond ligt, zo hard is tie neergekomen. Hij kijkt dr peinzend naar, al had ik hier tien sterke mannen dan kreeg ik dat nog niet voor mekaar. Tegen de draak zei die: "Das nou ook jammer." "Wat is jammer?" "Nou, als ik die knots gooi dan kan die jouw kop wel eens vermorzelen." "Mijn kop vermorzelen?" "Ja, want als ik die gooi, dan komt ie vanzelf terug, want ik heb magnetische handen. En alles wat er in de weg zit, dat wordt vermorzeld door de knuppel, door de knots." "Maar je hoeft niet nu te gooien hoor", zei de draak. "Zullen we eerst wat gaan eten?" En nog voordat ie uitgesproken is, rent ie terug naar huis en haalt eten. En de rest van de middag zitten Stan en de draak te eten. Pas als de maan weer opkomt, zegt Stan: "Weet je wat", hij staat op, "ik zal de knots gaan gooien, ik zal 'm naar de maan gooien, dan komt ie niet meer terug." "Naar de maan? Nee, die knots is van mijn grootvader, die mag je niet naar de maan gooien." "Ja, maar ik moet 'm gooien", zegt Stan." "Nee, niet naar de maan, niet naar de maan, niet weggooien." "En toch gooi ik hem", zegt Stan. "Alsjeblieft mag ik hem dan voor je gooien? Dan krijg je zeven zakken goud van mij cadeau." En daar zegt Stan geen nee op. En de draak gooit de knots, hij gooit 'm terug naar huis, niet drie kilometer, maar 4 kilometer ver. En als Stan en de draak daar aankomen, dan zegt Stan: "Zo mooi, jij 3 ik 4 kilometer, ik heb gewonnen." "Ja", zei de draak, "en ik vind het helemaal niet leuk." En hij loopt boos terug naar het huis van zijn moeder. Daar krijgt ook moeder toch wel een beetje de schrik. Maar de volgende dag heeft ze een nieuwe opdracht. "Ikke wil dat jullie het water uit de bron halen. Achter in de schuur liggen 7 eh 12 ossenhuiden, gebruik die maar." En de draak laad de 12 ossenhuiden op z'n rug en samen met Stan loopt ie naar de bron en daar begint de draak ossenhuiden te vullen en brengt ze, kan je nagaan zulke grote ossenhuiden vol met water, terug naar huis. Stan gaat ernaast zitten en als de draak heel veel water heeft weggebracht, vraag tie aan Stan, komt ie terug en ziet Stan voorovergebogen staan met een zakmes in zijn hand en daarmee snijdt ie in de grond. "Wat ben jij nou aan het doen?" vraagt de draak. "Nou, dat zie je toch, ik graaf de bron wel op. Je hebt toch, je denkt toch niet dat ik met al die zakken water ga sjouwen, dat is me te veel moeite." "De bron opsjouwen op eh opgraven? Dat kan niet, want die is van m'n grootvader." "Ja, dat kan wel maar je denkt toch niet dat ik zo voor jouw moeder, zo eh ga sjouwen." "Nee, niet doen niet doen! Mag ik het voor je doen, mag ik het voor je sjouwen? Je krijgt van mij zeven zakken goud." En ook daarin stemt Stan toe. En de draak loopt de hele dag te sjouwen, met alle ossenhuiden zakken vol met water. En aan het eind van de dag is die moe. "Tja", denkt Stan, "nog één nacht en nog één dag." En hij gaat weer liggen in dat hele grote bed, hij slaapt nu beter dan de eerste nacht. En de volgende dag heeft de moeder opnieuw een opdracht. "Halen jullie van mij hout uit het bos, haal hou.. eh bomen, dat is goed eh voor brandhout." En de draak en Stan gaan naar het bos en de draak slaat z'n armen om de bomen, z'n voorpoten om de bomen en rukt zo de bomen uit het bos. En Stan staat erbij te kijken, ja. En de draak sjouwt zich rot, maar Stan gaat weer zitten tegen de boom, net zoals die thuis doet, met de zon op z'n gezicht. O nee, daar is dat niet. Hij eh klimt klimt eh hij klimt een boom in en aan die bovenste tak bindt ie een slingerplant en dan kruipt ie weer naar beneden en in de volgende boom kruipt ie omhoog, bindt daar dezelfde slingerplant vast, klimt weer naar beneden en doet bij de volgende bomen steeds weer opnieuw hetzelfde. "Wat ben jij nou aan het doen?" vraagt de draak. "Oh, ik bind alle bomen aan elkaar, dan trek ik ze er in één keer uit, dat is niet zoveel moeite." "Nou maar dat moet je niet doen, dat is het bos van m'n grootvader!" "Ja, nou en, jij eh loopt te sjouwen elke keer, maar ik ben niet van plan om elke boom dr stuk voor stuk uit te halen voor jouw moeder." "Niet doen, niet doen mag ik 't dan voor je doen?! Zeven zakken goud krijg je dr voor." Je gaat je gang maar zegt Stan en hij gaat zelf lekker zitten net als thuis met z'n rug tegen de boom en met de zon op z'n gezicht. En de draak die sjouwt en die sjouwt en aan het eind van de dag is tie weer kapot. Ze gaan aan tafel en ze eten en Stan denkt: "Nog een dag en dan ga ik naar huis." Hij gaat vroeg naar bed, maar hij hoort hoe de draak en z'n moeder aan de tafel nog blijven praten. "Die man die maakt me helemaal arm", zegt de drakenmoeder. "Je moet 'm eh je we moeten dr vanaf komen." "Moet ik daarvoor zorgen", vraagt de zoon. "Ikke niet, ik ben veel te bang voor 'm." "Ja, maar jij hebt 'm hier gebracht." "Ja, maar dan, wat moest ik dan anders zou die me op z'n brood smeren." "Jij gaat 'm dood maken", zegt de moeder. Stan heeft alles gehoord. En hij kruipt z'n bed uit en het raam uit, heel zachtjes, en dan pakt ie het varkenskot, eh nee dat is 't hok, de trog en die brengt die naar z'n bed. En hij vult 'm met aarde, doet daar 't dekbed over zodat het net is alsof Stan zelf in het bed ligt. Zelf echter, kruipt ie onder het bed en hij wacht. En niet lang daarna hoort ie de deur opengaan en hij ziet daar de drakenpoten binnenkomen en hij ziet de knots over de grond slepen. [verteller stampt met haar voeten op de grond] Steeds dichterbij komen die poten en Stan [verteller maakt snurkgeluiden] doet alsof die slaapt. En dan verdwijnt de knots uit het zicht van Stan en een halve tel later: kieaap [verteller maakt een hard dreunend geluid en komt op uit haar stoel] de knots komt met een enorme slag neer op het bed. Haha, lacht de draak, die is dr geweest. Stan, bibberend van schrik, ziet dat de poten van de draak zich omdraaien en dat ze verdwijnen door de deur. Hij blijft nog even liggen en dan komt ie z'n bed uit. Hij haalt de varkenstrog uit bed, brengt 'm terug naar de stal en de aarde ook. En dan kruipt ie in het bed, gelukkig is het groot genoeg, hij kan ook nog ergens liggen zonder in 't zand, zonder in de aarde te liggen. Hij hoort dan ook dat de draken zelf ook slapen gaan en de volgende dag zitten ze opnieuw aan het ontbijt. Stan komt de kamer binnen: "Goedemorgen, hebben jullie lekker geslapen?" Heh.... Hij ziet de draken niet geel en groen worden maar bleek van schrik. "Wij hebben lekker geslapen", zegt de drakenmoeder. "Jij ook?" Ze kijkt 'm aan alsof die een spook is. "Nee, ik heb niet zo lekker geslapen", zegt Stan. "Dr zat een rat in m'n kamer, maar dat gaf niet hoor ik pakte 'm bij z'n staart en ik heb 'm naar buiten gegooid, daar zal ik vannacht geen last meer van hebben." "Vannacht!! Je gaat toch weg?!" "Nou", zegt Stan, "ik heb 't hier eigenlijk wel goed naar m'n zin, ik wilde nog wat langer blijven." "Langer blijven?" En de draken keken elkaar aan, langer blijven "kom, kom", zegt de moeder en ze haalt haar zoon mee de kamer uit. "We moeten van 'm af, we moeten van 'm af!" zegt ze. En dan gaat de drakenmoeder weer terug naar de kamer en haar zoon gaat zakken met goud vullen. "Het spijt me", zegt moeder tegen Stan, "wij zouden juist op vakantie gaan, dus 't is wel gezellig, maar je moet nu echt gaan." En dan loopt Stan mee naar waar eh de zakken goud staan, hij kijkt om zich heen: 84 zakken goud. Maar Stan heeft een probleem en daarom zegt ie enige tijd niks. "Is 't niet goed, is 't niet genoeg?" vraagt de moeder. "Nou", zegt Stan, "als ik hiermee thuis kom, dan lachen ze me uit. Dan zeggen ze: vadertje Stan wat een drakerig klein beetje." En de draken gaan snel aan de gang en ze maken nog meer zakken goud klaar, nog meer zakken goud. En Stan kijkt met grote ogen, z'n gedachten gaan koortsachtig heen en weer, want hoe krijgt hij die zakken goud naar huis? En als dan alles klaarstaat, vraagt de drakenmoeder nog één keer: "Is 't goed zo, is 't goed zo?" "Nou, hier kan ik wel mee thuiskomen", antwoordt Stan. "Maar je denkt toch niet dat ik dit ga dragen hè? Als ik zo thuiskom, lachen ze me uit: vadertje Stan, vadertje Stan sjouw jij zelf met al die zakken goud? Dus eh..." "Nee, nee, kom ik begrijp 't al ik begrijp 't al", zegt de drakenmoeder. En ze geeft haar zoon direct de zakken in z'n bek en op z'n rug en onder z'n vleugels, overal zakken goud. En zo gaan de draak en Stan samen op weg, de draak kan bijna niet om zich heen kijken, hij is beladen met goud. Een hele tijd zeggen ze niets, maar als ze vlak in de buurt van 't huis van Stan komen, zegt Stan: "Wil je dr wel rekening mee houden, ik moet je waarschuwen, ik heb honderd kinderen en die eten 't allerliefst drakenvlees." En ze zijn nog maar een heel klein stukje verder en hebben de kinderen de stem van Stan gehoord, ze zitten met z'n allen aan tafel te zingen, want eten hebben ze niet, maar als je zingt heb je minder honger. En allemaal hebben ze hun mes en vork in de hand en slaan dr mee op tafel, maar buiten horen ze geluid en ze rennen dr mee naar buiten: "Vadertje Stan, vadertje Stan". Met mes en vork in de hand: "Ben je daar, we hebben honger, we lusten wel honderd draken!" "Hoor je dat?" vraagt Stan. Maar de draak hoort niets meer, hij heeft alle zakken goud laten vallen en is er als een haas vandoor. En Stan en z'n vrouw en hun honderd kinderen leefden nog lang en rijk en heel gelukkig. En als ze niet gestorven zijn leven ze nu nog.
Beschrijving
Een man en vrouw zijn gelukkig, maar ze willen heel graag kinderen. De man gaat naar een tovenaar die voor honderd kinderen zorgt. Uit armoede wil de man schapen stelen, en komt terecht bij een herder die elke nacht van zijn schapen wordt bestolen door een draak. De man maakt de draak bang door te zeggen dat hij een reus is, gaat mee naar het huis van de draak, waar de drakenmoeder de man en haar zoon
een aantal krachtmetingen laat doen om te kijken wie de sterkste is. Met allerlei listen wint de man steeds, en weet tenslotte de draak een lading goud naar zijn huis te laten brengen.
een aantal krachtmetingen laat doen om te kijken wie de sterkste is. Met allerlei listen wint de man steeds, en weet tenslotte de draak een lading goud naar zijn huis te laten brengen.
Bron
Letterlijk afschrift van MP3 opname: I.M. Leeuwenburgh 26 okt. 2007.WAV
Naam Overig in Tekst
Stan Boli Fan   
Stan   
Naam Locatie in Tekst
Drunen   
Udenhout   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
