Hoofdtekst
Jaarlijks, op 21 November, kwam in den voormiddag met de trekschuit uit Utrecht een vreemde gast te 's Gravenhage aan: de hofbeer, een vet varken, dat voor de rechters van den Hove van Holland was bestemd. Honderden waren er bij tegenwoordig, als de beer door dienaren van den Hove van de Utrechtsche stadsboden werd overgenomen en op een karretje werd geheschen, om zijn plechtigen intocht te houden. Op 't Binnenhof werd het dier aan den ketting gelegd, om een tijd lang door het gemeen uitgescholden en met vuil geworpen te worden; daarna maakten de dienaren een einde aan dit "volksvermaak", door den beer mee te nemen naar den spekslager. Hier werd hij gedood en in stukken gehakt, waarna de kop aan den stadhouder en de deelen aan den rechter werden gebracht. Volgens overlevering had Karel V den Utrechtenaars het zenden van den beer als verplichting opgelegd, omdat zij in 1528 Maarten van Rossum hadden aangespoord om Den Haag te plunderen en hem op dien tocht hadden vergezeld. De hofbeer is echter veel ouder dan Maarten van Rossum, want reeds in 1441 zond Utrecht een exemplaar naar Den Haag. De Stichtenaren zelve meenden dat het zenden van het varken een dankbetoon was voor verleenden vrijdom aan tolgelden. Daarom verzochten zij den beer niet meer aan de kaak te leggen. 't Hielp hun niet; de heeren in Den Haag lieten hen praten en 't gesol met den beer ging zijn ouden gang. Dat verveelde den Utrechtenaren en ze wendden zich in 1612 met een klacht tot Oldebarneveld, de raadspensioenaris, "versoeckende vriendelijck, dat daerinne mogt worden voorsien." Deze antwoordde met een deftig epistel, waarbij hij zich op oude rechten beriep; de beer moest aan de paal blijven liggen, maar om die van Utrecht voldoening te geven, zouden ring en ijzer van de paal genomen worden, waardoor alle gelijkenis met een kaak zou komen te vervallen. In Den Haag hield men zich echter niet aan die belofte en daarom stuurde Utrecht in de maand November 1614 een zijner burgemeesters om over het zwijn te delibereeren. Het hof besprak langdurig dit gewichtig onderwerp en kwam tenslotte tot de conclusie, dat een beslissing buiten haar compitentie lag, als rakende het recht van den soeverein! Tevens stonden zij er op, dat de beer onmiddellijk afgezonden zou worden, want dit was hun recht. Utrecht gaf toe en stuurde wederom het varken, maar ging daarna in beroep bij "de rechte wetenschap, souveraine macht en de autoriteyt de heeren Staten van Holland en West Friesland". En dat alles om een varken. Na veel heen en weer gepraat verzochten zij den beer voor zesduizend gulden te mogen afkoopen. Lang beraadslaagden de heeren, want vele sprekers hadden bezwaren, maar niemand minder dan Hugo de Groot weerlegde die met zooveel welsprekendheid, dat het besluit genomen werd om de goede vrienden van Utrecht dit servituut zonder afkoop kwijt te schelden. Zoo was eenieder tevreden gesteld, want de stadhouder en de heeren van het hof kregen inplaats van de hammen en het spek voortaan "beerengeld" uitgekeerd; Utrecht betaalde nog aan prins Willem V voor zijn "beerskop" jaarlijks tweehonderd vijf en zeventig gulden.
De hertogen van Gelder zonden ieder jaar op St.Maartensavond twee beren aan den abt van St.Paulus te Utrecht, wegens zekere gerichten, die zij van hem in erfpacht hadden. Hertog Karel kocht zich met een geldsom vrij. De stad Koevorden gaf den drost ook elk jaar twee beeren ten geschenke; eerst in 1785 werden de dieren door een som gelds vervangen.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Hofbeer   
's Gravenhage   
Hove van Holland   
Utrechtsche   
't Binnenhof   
Karel V   
Utrechtenaars   
Maarten van Rossum   
Stichtenaren   
Staten van Holland   
Hugo de Groot   
Willem   
hertogen van Gelder   
St.Maartensavond   
St.Paulus   
Hertog Karel   
Naam Locatie in Tekst
Utrecht   
Den Haag   
Oldebarneveld   
West Friesland   
Koevorden   
