Hoofdtekst
Het schip van Ternuten
Hoe groot het schip van Ternuten wel was weet niemand te zeggen. Dat kan ook niet omdat het eenvoudig niet te meten was.
Om een idee te geven.
Op een keer was het op weg naar de Noordzee en de kapitein had het in zijn hoofd gezet om door het Engelsche kanaal te varen.
't Was onverstandig. Hij had kunnen begrijpen dat het kanaal te nauw was. Hij had om Engeland en Schotland heen moeten varen, maar ja, hij deed het nu eenmaal niet. Hij zette koers naar het kanaal en, daar had je de poppen aan het dansen.
Het schip van Ternuten kon er niet door hè.
Het liep vast, aan de eene kant tegen de Engelsche kust en aan de andere zij tegen de Fransche.
Alle zeilen bij! commandeerde de ouwe en de bootsman rende op zijn paard het geheele schip langs en liet zijn fluitje rollen maar wat geven honderd zeilen en een flinke bries als je schip tusschen twee landen bekneld zit?
Nu was die kapitein van dat reuze schip een bijdehandte kerel.
Wie niet sterk is moet slim zijn, zei hij altijd.
Helpt de wind niet dan maar zeep.
Weer rende de bootsman op zijn knol over het dek en weer liet hij zijn fluitje gillen en het duurde niet zoo heel lang of de bemanning had de buitenwanden van het schip met witte zeep besmeerd.
't Moet echte Spaansche zeep geweest zijn. Dat zal wel niet gelogen zijn want 't schip kwam uit de Spaansche zee. De kapitein kan dus licht zeep ingenomen hebben in de een of andere haven.
Hoe dat dan ook wezen mag, een feit is het dat de kapitein zijn heele schip aan de buitenkant met Spaansche zeep besmeren liet en toen het volk daar mee klaar was en de wind nog wat aanwakkerde en iedereen een kloet nam om te boomen, schoof het schip ten lange leste knarsend en krassend het kanaal door.
Je zou het haast niet gelooven hè, maar het is te bewijzen. Je zou zoo zeggen zulke groote schepen kunnen niet bestaan, maar hoe komen de rotsen bij Dover dan aan zoo'n wittige kleur?
Dat is toch zeker nog altijd de witte zeep die aan de wanden van het schip van Ternuten zat. Het schip schuurde langs de rotsen en de zeep begon te schuimen hè. 't Water golfde er tegen het schuimde nog meer. 't Werd glad en 't geweldige zeeschip gleed door het kanaal en kwam in de Noordzee terecht maar de Engelsche kust was wit-grijs. En is dat gebleven tot op deze dag.
Allemaal gekomen door dat schip van Ternuten dat uit de Spaansche zee kwam en dat zoo groot was dat de matrozen die de zeilen met touwtjes vast moesten maken als jonge kerels in het want klommen en als stijve stramme rumatiekerige krom getrokken grijsaards weer op het dek terug kwamen. En het gebeurde soms dat ze nog stomdronken waren ook. Ja, want hier en daar in het want had je herbergen waar ze een groote borrel tapten.
Ook hadden die matrozen die in de mast moesten klimmen intusschen nog te zorgen voor de koeien die op een soort wei in de mastkorf rondliepen.
Ze hadden dus nogal zoo 't een en 't ander te doen daar in het want en zoo is het best te verklaren dat ze maar niet zoo een, twee, drie weer terug op het dek stonden, maar dat er bijna een menschenleeftijd mee gemoeid was.
Ja, dat schip van Ternuten was een geweldige schuit en de zeelui van die dagen hadden het er niets op begrepen.
Wanneer het verscheen met zijn dubbele naam, het heette ook de Almacht, maakte iedere schipper zoo gauw mogelijk dat hij uit de buurt kwam.
Daaruit blijkt wel dat het iets heel bijzonders was want zeelui zijn anders voor geen kleintje vervaard.
O zoo!
Hoe groot het schip van Ternuten wel was weet niemand te zeggen. Dat kan ook niet omdat het eenvoudig niet te meten was.
Om een idee te geven.
Op een keer was het op weg naar de Noordzee en de kapitein had het in zijn hoofd gezet om door het Engelsche kanaal te varen.
't Was onverstandig. Hij had kunnen begrijpen dat het kanaal te nauw was. Hij had om Engeland en Schotland heen moeten varen, maar ja, hij deed het nu eenmaal niet. Hij zette koers naar het kanaal en, daar had je de poppen aan het dansen.
Het schip van Ternuten kon er niet door hè.
Het liep vast, aan de eene kant tegen de Engelsche kust en aan de andere zij tegen de Fransche.
Alle zeilen bij! commandeerde de ouwe en de bootsman rende op zijn paard het geheele schip langs en liet zijn fluitje rollen maar wat geven honderd zeilen en een flinke bries als je schip tusschen twee landen bekneld zit?
Nu was die kapitein van dat reuze schip een bijdehandte kerel.
Wie niet sterk is moet slim zijn, zei hij altijd.
Helpt de wind niet dan maar zeep.
Weer rende de bootsman op zijn knol over het dek en weer liet hij zijn fluitje gillen en het duurde niet zoo heel lang of de bemanning had de buitenwanden van het schip met witte zeep besmeerd.
't Moet echte Spaansche zeep geweest zijn. Dat zal wel niet gelogen zijn want 't schip kwam uit de Spaansche zee. De kapitein kan dus licht zeep ingenomen hebben in de een of andere haven.
Hoe dat dan ook wezen mag, een feit is het dat de kapitein zijn heele schip aan de buitenkant met Spaansche zeep besmeren liet en toen het volk daar mee klaar was en de wind nog wat aanwakkerde en iedereen een kloet nam om te boomen, schoof het schip ten lange leste knarsend en krassend het kanaal door.
Je zou het haast niet gelooven hè, maar het is te bewijzen. Je zou zoo zeggen zulke groote schepen kunnen niet bestaan, maar hoe komen de rotsen bij Dover dan aan zoo'n wittige kleur?
Dat is toch zeker nog altijd de witte zeep die aan de wanden van het schip van Ternuten zat. Het schip schuurde langs de rotsen en de zeep begon te schuimen hè. 't Water golfde er tegen het schuimde nog meer. 't Werd glad en 't geweldige zeeschip gleed door het kanaal en kwam in de Noordzee terecht maar de Engelsche kust was wit-grijs. En is dat gebleven tot op deze dag.
Allemaal gekomen door dat schip van Ternuten dat uit de Spaansche zee kwam en dat zoo groot was dat de matrozen die de zeilen met touwtjes vast moesten maken als jonge kerels in het want klommen en als stijve stramme rumatiekerige krom getrokken grijsaards weer op het dek terug kwamen. En het gebeurde soms dat ze nog stomdronken waren ook. Ja, want hier en daar in het want had je herbergen waar ze een groote borrel tapten.
Ook hadden die matrozen die in de mast moesten klimmen intusschen nog te zorgen voor de koeien die op een soort wei in de mastkorf rondliepen.
Ze hadden dus nogal zoo 't een en 't ander te doen daar in het want en zoo is het best te verklaren dat ze maar niet zoo een, twee, drie weer terug op het dek stonden, maar dat er bijna een menschenleeftijd mee gemoeid was.
Ja, dat schip van Ternuten was een geweldige schuit en de zeelui van die dagen hadden het er niets op begrepen.
Wanneer het verscheen met zijn dubbele naam, het heette ook de Almacht, maakte iedere schipper zoo gauw mogelijk dat hij uit de buurt kwam.
Daaruit blijkt wel dat het iets heel bijzonders was want zeelui zijn anders voor geen kleintje vervaard.
O zoo!
Beschrijving
Het schip van Ternuten was zo groot dat het vast kwam te zitten bij het passeren van Het Kanaal om naar de Noordzee te varen. Daarom smeerde men de zijkanten van het schip in met zeep zodat het samen met een flinke bries toch door Het Kanaal kon varen. Vandaar dat de rotsen bij Dover nog steeds een witte kleur hebben.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 103-104.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Ternuten   
Engelse   
Franse   
Spaanse   
Almacht   
Naam Locatie in Tekst
Noordzee   
Engeland   
Schotland   
Dover   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
