Hoofdtekst
Er was eens een Romeinsch keizer die Brittannië bevochten en veroverd had. Dapper had hij gestreden en zijn legioenen hadden zich met roem overladen. Toen er echter in Brittannië niets meer voor hen te doen was ging hij scheep met zijn leger en voer de Noordzee op. Maar nauwelijks had hij zee gekozen of een schrikkelijke storm stak op. De orkaan joeg de golven hoog op, de bliksem was niet van de lucht en de donder ratelde over de zee. Vreeselijk was het gevaar waarin de keizer en zijn manschappen verkeerden.
Er vergingen dan ook verscheidene galeien maar een gedeelte er van, en daaronder de galei van de keizer, werd met groot geraas op de kust geworpen.
Nu kwam de keizer van de regen in de drop. Op zee had hij te kampen gehad met de storm en de golven maar hier kreeg hij het met de wilde slaven te doen die om en in de Slavenburg woonden.
Die Slaven, groote ruige dappere kerels, waren de voorloopers van de Hollanders. En ze vochten als leeuwen tegen die indringer van een keizer, dat is te begrijpen.
Maar, al waren die eerste Hollanders dan ook groot en sterk, wild en rauw, tegen de Romeinen konden ze het niet harden. Ze vochten als leeuwen dat moet gezegd worden, de speren suisden door de lucht en de strijdax spleet menige schedel, maar op het laatst moesten ze het tegen de Romeinsche legioenen afleggen.
De keizer was blij dat er eindelijk een eind aan de strijd kwam. Zijn legioenen waren bedenkelijk gedund en hij was een heel eind van huis.
Hij sloot dus een bondgenootschap met de wilde Slaven en was verder vriendelijk tegen hen.
Toen hij echter zoo ver was dat hij vaste voet had in het land van de wilde Slaven wilde hij de gelegenheid aangrijpen om verder door te dringen.
Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Hij ging wel op weg met zijn mannen maar stond stijf van schrik toen hij in het groote bosch kwam dat toen ter tijd Holland overdekte, en daar het brullen en loeien van de wilde dieren hoorde. Het was daar in dat bosch een oordeelsleven van al die wilde leeuwen, beren, stieren, varkens en wat niet al.
Nog vlugger dan hij er in gekomen was vluchtte hij er weer uit. Zoiets had de keizer nog nooit beleefd.
Ontsteld klopte hij aan de poort van de Slavenburg en vroeg de hoofdman te spreken.
Wat is dat toch voor een bosch daar? vroeg de keizer. Hooren en zien vergaat je. Het zit tjokvol met wilde dieren.
En de hoofdman van de Slaven antwoordde dat hij het niet wist.
Maar wel weet ik, sprak de Slavenhoofdman, dat gij dat bosch niet levend door zult komen.
Waarom dan niet? vroeg de keizer.
Vanwege de menigte wilde dieren Heer, antwoordde de hoofdman. En mocht het u al gelukken er heelhuids door te komen dan zou u aan de andere zijde toch het einde wachten.
Hoe dat kon, vroeg de keizer.
Omdat aan de andere kant de wilde Neder-Saxen wonen Heer, de wilde Friezen, die niemand ontzien.
Toen de keizer dat antwoord hoorde streek hij bedachtzaam over zijn gladgeschoren kin, schudde zijn hoofd en zei ernstig, dat bosch mag dan wel "het bosch zonder genade" heeten.
En van toen af aan totdat de tijd kwam dat het verdween werd dat bosch dan ook zoo genoemd.
En het was zoo groot dat het geheel Holland bedekte en ook nog Wiltenburg.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Romeins   
Broot Brittanië   
Brittanië   
Slaven   
Hollanders. Romeinen   
Slavenburg   
Slavenhoofdman   
Heer   
Neder-Saxen   
Friezen. Wiltenburg   
Naam Locatie in Tekst
Noordzee   
Holland   
