Hoofdtekst
Eén tot Rotterdam quam met een kostelijck nieuw pack 's avonts laet van een maeltijt en liep drijvende in een kalckhock, daer hij al sijn kleeren bedurf. Hij ontbood den setter van 't voorseyde hock voor schepenen en concludeerde tot vergoeding van sijn schade. Den ander excipieerde op de noodsaeckelijckheyt van sijn timmeragie. R. 'Dan mogt gij uw kalckhock uyt de passage geset hebben.' R. 'Het staet soo ver uyt de weeg als het mogelijck is.' Hij versogt evenwel dat de heren daer souden believen ordre in te stellen. R. 'Wat konnen wij daerin doen? Gij mogt beter voor u sien.' Hij prevelde binnensmonts: 'Dan sal ik er selver ordre in stellen.' R. 'Wat seyt hij daer, bode? Roept hem wederom. Wat preutelde gij daer?' R. 'Niet; ick sey dat ik er selver sou ordre in stellen.' R. 'Wat wout gij togh doen?' R. ''s Avonts vroeger na huys gaan.'
Beschrijving
Een man liep 's avonds laat, na het eten, met zijn nieuwe pak een kalkhok in, waardoor zijn kleding totaal verpest was. Hij ging naar de maker van het hok en eiste om schadevergoeding. De maker vond dit onzin en dacht er niet over om hem te betalen of om ook maar iets aan zijn hok te doen. De man zei er dan zelf maar wat aan te gaan doen; hij zou voortaan vroeger naar huis gaan.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Rotterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
