Hoofdtekst
De heer Frans Meerman sat in de Delfse schuyt, daer Goethals sig beklaegde over het ongelijck dat hem de heeren gedaen hadden, aengaende dat sij hem er reden hadden gestelt over sekere sijne predicatie, daerin hij den staet van regeeringe hadde berispt. R. 'Daer hebben de heeren gelijck in, dominee Goethals.' R. 'Men moet er evenwel oock in spreecken, het is een schip daer wij altemael in vaeren.' R. 'Waervoor vaert gij luyden predicanten dan, voor capiteyn of stierman?' R. 'Nergens anders voor als voor siekentrooster.' R. 'Bid dan als er groot onweer is, maer soolang als het wel gaet houdt uw backhuys toe.'
Beschrijving
Frans en Goethals zitten samen in dezelfde Delftse boot. Goethals klaagt over het onrecht dat hem is aangedaan vanwege zijn kritiek op de regering. Goethals vergelijkt de samenleving met een boot waar iedereen in zit. Frans vraagt of de predikanten dan de stuurman of de kapitein zijn. De predikanten zijn volgens hem te vergelijken met de ziekenverzorgers op een boot. Frans zegt hierop dat je dan mag bidden als er onweer is, maar dat je, zolang het goed gaat, je bakkes gesloten moet houden.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Goethals   
Frans Meerman   
Delftse   
Naam Locatie in Tekst
Delft   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
