Hoofdtekst
Fop Neuswijs, het rasphuys tot Amsterdam besiende, vroeg aan een parteij kleyne gaeuwdieven wat sij gedaen hadden. 'Beurse-snijden', was het antwoort. R. 'Ha, ha, dat 's belachelijck, wie is soo sot dat hij sijn beurs sou laten bestelen, voor mij, die de mijne krijgen kan, s'is hem geschoncken.' Een quartier daerna roept de vaer een van de snoodste en vraegt hem of hij kans sag tot Fop zijn beurs. R. 'Och ja, vader, mits dat ick vandaeg dan niet en wercke en een dubbeltje aen drinckgelt krijge.' R. ' 't'Is goed.' R. 'Neem dan een bulle-pees om mij te slaen.' R. 'Jou schelm, jou gaeudief etc.' R. 'Och vaertje, vaertje, slaet niet meer! Och, mijn lieve oomje, help mij.' Met omvatte hij Fop en lichte hem sijn beurs, die hij daerna weer kreeg, onder beding van een ducaton drinckgelt.
Beschrijving
Fop vroeg aan een stel dieven, die vastzaten in de gevangenis, wat ze hadden gedaan. De dieven antwoordden dat zij portemonnees stalen. Fop begon te lachen en vroeg zich af hoe gek je wel niet moest zijn om je te laten bestelen. De dieven lieten dit niet op zich zitten, leidden Fop af en stalen zijn portemonnee. Fop kreeg zijn portemonnee weer terug in de ruil voor wat drinkgeld.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Fop Neuswijs   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
