Hoofdtekst
Een boer hadde tot Swammerdam een glas met het wapen van de heer Hans Wolphert van Bredenrode daerin gegeven, die daer een reys pleysterende sijn waepen haest gewaer wiert. R. 'Wie duyvel derft hier mijn waepen gebruycken?' R. ' 't Is een boer hierbij, die geen wapen en had, mijnheer, en die een glas belooft hadde te geven. Hij had sulken sin in dat leeuwtje dat hij 't er in liet schilderen.' R. 'Laet den hondskling terstont hier komen. Wel onbeschaamden beest, durf gij mijn waepen hier in een glas te vereeren?' R. 'Mijnheer, ick hadder selver geen en ick kost er geen ander versinnen.' Het heerschap nam een kolf, die bij geval daer stond, in de hand en sloeg het glas aen stucken, seggende: 'Siet nu of gij een ander versinnen kundt.' R. 'Ick heb er al een versonnen, ick weet wel wat ick er in de plaets sal setten.' R. 'Wat dam?' R. 'Een mannetjen met een kolf in sijn hand, die glaesen uytslaet.'
Beschrijving
Een boer had een raam waarop het wapen van een andere heer stond afgebeeld. Deze heer ontdekte dit en werd zeer kwaad op de boer. De boer verontschuldigde zich door te zeggen dat hij zelf geen wapen had en dat hij er zelf geen kon verzinnen. Dit maakte de heer niets uit, hij sloeg het raam kapot met een kolf en zei dat de boer zelf maar een wapen moest verzinnen. De boer had er inmiddels al één verzonnen: een mannetje met een kolf in zijn hand dat ramen kapot slaat.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Swammerdam   
Hans Wolphert van Bredenrode   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
