Hoofdtekst
Iemant, hebbende een groot huys doen timmeren, wiert 'tselve gelaeckt van een die voorbij ginck, waerover hij verstoort voor de deur quam, vragende wat voor een lantsman hij was. D'ander seyde 't hem en voegde daerbij: 't'Uwen dienst, mijnheer.' Waerop hij seyde: 'Ick hebbe sulcke dienaers niet van doen, want mij dunckt, gij verstaet u beeter op esels als op timmeragiën.' Waerop d'ander antwoorde: 't Is sooals gij segt, mijnheer, en daerom con ick terstont wel sien dat gij er een dapperen waert.'
Beschrijving
Iemand, die een groot huis liet bouwen, werd berispt door een voorbijganger. Beledigd ging hij naar deze man toe en vroeg hem wat voor medeburger hij was. Hij vertelde hem wie hij was en voegde daaraan toe: 'Tot uw dienst'. De man zei dat hij zulke diensten niet hoefde, omdat de ander meer verstand had van ezels dan van bouwwerken. De ander antwoordde hierop dat hij gelijk had en dat hij daarom meteen kon zien dat hij een flinke ezel was.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20