Hoofdtekst
Een vrouw konde 't haren man noyt van pas maecken, want als sij gebraden hadt, wilde hij gesoden hebben en als sij gesooden hadt, gebraden. Op seeckeren tijt als hij seer preutelde eer hij de spijse gesien hadde, soo seyde [sij]. ('t vleesch aengebrandt sijnde): 'Liefste ontstelt u niet, want gij sult vandaeg uyt eenen pot gesoden en gebraden eeten.'
Beschrijving
Een vrouw kon het eten nooit naar de zin van haar man maken. Als zij het vlees gebraden had, dan wilde hij gekookt vlees en andersom. Toen hij weer eens zeurde, voordat hij het eten nog maar had gezien, zij de vrouw (die het vlees had laten aanbranden): 'Liefste, wees niet van streek, vandaag zul je gekookt en gebraden vlees ineen eten.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20