Hoofdtekst
Iemant seyde tegen een ander; 'Men soude niet seggen dat gij catholyck waert, want ick sie u noyt met een gebedenboeck en paternoster.' Waerop d'ander antwoorde: 'Wat het gebedeboeck aengaet, dat can ick van buyten en 't paternoster aengaende, dat heb ick noch minder van doen, want ick heb sulcken mageren vrouw, dat men al haer beenen tellen can, bijsonder die van 't ruggebeen aen welcken ick alle nachten mijn paternoster segge.' Waerop d'ander vraegde: 'Als gij ten eynde sijt, kust gij dan de medaille oock?'
Beschrijving
Iemand zei tegen een ander dat het niet te zien was dat hij katholiek was, hij zag hem namelijk nooit met een gebedenboek en een paternoster. De man antwoordde hierop dat hij het gebedenboek uit zijn hoofd kende en dat hij zijn paternoster opzei bij de botten van de ruggegraat van zijn vrouw, die zo mager was dat je al haar botten kon tellen. De man vroeg hierop: 'Kust u de medaille als u klaar bent met uw paternoster?'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20