Hoofdtekst
...Dat si met allen rechte crone
Mocht hebben ghedraghen in 't Roemsche Rike.
Want men vant nieumer haer gelike
Van doechden ende van hoofscher seden,
Noech soe volmaect van aller leden.
Ook bezat hij den grootsten schat, die toen iemand ter wereld bezat.
Dit vernam de edele koning van Schotland "David den Bruys" en hij zond gezanten naar Denemarken om aan de koning de hand van zijn dochter te vragen.
De koning vroeg raad aan zijn vrouw en zijn beide broeders.
Si en consten beters niet visieren,
Dan si hem ride, dat hy 't dede.
En aldus geschiedde het. De afgezanten keerden naar Schotland terug, om daar mede te deelen dat de koning weldra met zijn dochter zou komen tot "Aberdane".
Die coninc hadde een scip doen reken,
Daer men wonder af mocht spreken.
En ook had hij het schip "doen spisen, dat soude hi node hebben ghelaten".
Doen ghinc men brenghen den grooten scat,
Twee ende viertich tonnen vol.
De beide broeders des konings scheepten zich in. Heer Everaert, die op de schat zou passen en heer Godevaert, de jongste, die bij de bruid zou blijven.
En daar gingen ze aan boord
...menighe cameriere;
Scone maeghde, scone vrouwen
Meneghen ridder, meneghen seriant.
Heer Godevaert nam bider hant
Des coninc dochter, die jonghe bruyt,
Hi leydese ter zeewaert uyt.
De koning sprak nog tot Godevaert: "Geschiedt mijn dochter eenig leed, dat zoude u berouwen". Toen zij op de hooge zee kwamen, werd de jonkvrouw zoo ziek, dat zij geen woord vermocht te spreken, zij dacht dat haar hart zou breken.
Die joncfrouwe waert soe cranc,
Si moeste sterven, als 't God gheboot,
Te sonne opganghe was si doot.
Men bad God voor haar ziel en terwijl zij baden, wilde het schip niet van stede. De stuurman riep: "men moet de doode overboord werpen, dan eerst kan men weer zeilen waar heen men wil."
Dit dochte den heren wesen goet.
Nadat men plechtig 's konings kind overboord gezet had "in 't natte", sprak heer Everaert:
...wats nu de raet,
Nadien dat gheschepen staet,
Varen wi weder tot huys te lande,
Men sallt ons allen spreken scande;
Men sal ons gheven quade woort,
Ende seghen, wi hebben di bruyt vermoort.
Heer Godevaert sprak:
...mi dunct beste,
Dat wi zeylen int zuytweste,
Aen Brabants side......
Zij deden naar heer Godevaerts raad. De wind was noord en na korten tijd kwamen zij "te Nieuwerhave voer Mercmonde", waar zij het anker uitwierpen. Vier lieden gingen in een boot, en roeiden de Mark op, zoodat zij kwamen langs Anskerken en vandaar
Tote Breda, bi der poort.
Daer vonden si enen sconen hil:
Aldaer behaget het soe wil,
Dat si daer setten enen baken,
Om dat si daer weder wilden gheraken.
Toen de vier verspieders teruggekeerd waren naar het schip en verslag hadden uitgebracht over hun tocht, besloot heer Godevaert naar Breda te gaan. Zeventien dappere mannen sloten zich bij hem aan. Zij gingen te Breda aan land en hoorden de mis "in die heylighe kercke".
Dus quamen hier die van Deenmerke,
Daer die van Strien af syn gheboren,
Ende die van Wieldrecht, als wi horen.
Als heer Heinric van Breda hen gezien had, ging hij tot hen, hette hen welkom en onthaalde hen op spijs en drank.
Doen die maeltyt was ghedaen,
Syn die heren opghestaen:
D' een nam den anderen bider hant,
Ende ghinghen wandelen op dat lant,
Al buten op der Merken stroem,
Soe dat si quamen aen den boem,
Die daer heer Ancem hadde gheset.
Heer Godevaert vroeg: "wien mag dit land behoorden en wie mag dezen boom geplant hebben? En waarom staan hier tafelen en banken?"
Men gaf hem ten antwoord: "Heer, hier woont een goed man, heer Ancem geheten. Hij pleegt hier in den Meie tijd met zijn geburen te feesten onder den boom en daarom staan hier deze tafelen en banken."
"Ay goeder", zeide heer Godevaert, "laat vragen of hij het land wil verkoopen, opdat ik hier een huis laat zetten om er met mijn verwanten in te wonen."
Heer Heinric zond Aernout Haghen naar heer Ancem om hem te bewegen het land te verkoopen. Maar heer Ancem wilde er niets van weten.
"Ic cochter liever erve toe,
Dan ic mijn erve liete smalen,
Ic gheve luttel om syn betalen:
Soud ic myn VII kynder onterven,
Ic soude liever der penninghe derven."
Godevaert zeide: "Nochtans zal ik op dezen heuvel een huis doen bouwen" en hij beval zijn mannen de boomen om te hakken. Zij bouwden keeten om den nacht in door te brengen. Toen trokken alle Denen derwaarts.
En de vrouwen die medegekomen waren zeiden: "Heer Godevaert, zijt ge nu reeds vergeten, dat ge beloofde ons hier een hof te doen bouwen." En om aan zijn belofte te voldoen liet hij kalk en steenen komen van "buten Dornicke op di Scelde".
Heer Godevaert seinde sine knecht
Om enen timmerman te Trecht,
Om enen metselaar te Aken,
Die sine borch soude maken.
De Denen, die nu in de Brunenstene huisden, bleken te zijn van "quade aerde", want koren, varkens, schapen en paarden roofden zij van hunne geburen. Met paard en wagen stroopten zij de gansche Baronie af. Met een boot zeilden zij tot Walcheren en Schouwen, en droegen weg zonder te betalen.
Tusschen Muden ende der Goude,
Mocht niemant 't syn behouden.
Heer Heinric moest voor hen de wijk nemen naar het huis te Laer te Zundert.
Tenslotte besloot de hertog van Brabant tegen hen op te treden. Hij ontbood den raad van zijn goede steden, die hem driehonderd man gaven "helme op 't hooft ende halsberghe an", aan wier hoofd zich de heer van Wesemael stelde.
Om de Denen te verschalken liet hij een wagen zoodanig met hooi opvullen, dat het leek alsof men lakens van Gent vervoerde, want hij hoopte dat de Denen zich van den wagen zouden meester maken: wat ook is geschied te Minderhout.
De heer van Wesemael overviel daar de plunderaars en versloeg ze allen: vijfentwintig bleven dood. Even zoovele Brabanders staken zich in de kleeren der Denen en leidden den wagen met lakens naar den Brunestein, waar men de poort voor hen opende, omdat men meende dat het vrienden waren.
Dus waren die Denen bedroghen.
Wesemael quam na ghetoghen.
Hi riep: "Slaet doot, slaet doot, slaet doot,
Jonc ende out, clene ende groot."
De burcht werd met den grond gelijk gemaakt. Steenen en houtwerk werden gebruikt tot versterking van de stad Breda.
Men zegt dat het vroegere kasteel van Breda, thans Koninklijke Militaire Academie, gebouwd is, waar eens de Brunestein stond.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Noten: 1) Het gedicht "De Legende van het Heilig Kruis te Breda", groot 757 regels, is in haar geheel afgedrukt bij Hermens, Geschiedkundig Mengelwerk, blz. 213-242. Het handschrift berust in het archief van de St. Barbarakerk te breda. Zie ook Dr. L. Wirth, Het Heilige Kruis en de Denensage te breda.
Extra noten in de tekst bij 'David den Bruys' (' David Bruce'), 'Mercmonde' en 'Anskerken' ('Deze dorpen zijn indertijd door 't Hollandsch Diep verzwolgen.'), 'Strien' ('Het land van Strijen'), 'Trecht' ('Maastricht'), en 'Minderhout' ('Niet ver van Hoogstraten (België)').
Naam Overig in Tekst
Deen   
Roomse Rijk   
David den Bruys   
David Bruce   
Everaert   
Godevaert   
God   
Nieuwerhave   
Mercmonde   
Anskerken   
Mark   
Heer Heinric van Breda   
Ancem   
Denen   
Dornicke   
Trecht   
Brunenstene   
Brunestein   
Minderhout   
Koninklijke Militaire Academie   
Aernout Haghen   
Naam Locatie in Tekst
Denemarken   
Schotland   
Aberdeen   
Brabant   
Breda   
Strien   
Wieldrecht   
Doornik   
Schelde   
Maastricht   
Aken   
Walcheren   
Schouwen   
Muiden   
Gouda   
Zundert   
Laer   
Gent   
Wesemael   
