Hoofdtekst
Een seecker vreemdeling die met een edelman iets te schaffen hadt, vont hem bij geval op de straet met een deel andere lieden in de praet. Hij, niet wetende waer de man woonde daer hij mee te doen hadt, sprack hem aen en vraegt na sijn wooning. De ridder, die veel van boerten hiel, seyde hem jocx-gewijs: 'Me vrient, de man daer gij na vraegt is over drie maende gehangen.' 'D'uytlander hadde soo haest niet verstaen na de oorsaeck van soo een schandelijcke doot gevraegt, of den edelman seyde dat hij schrickelijck gestolen hadde. 'Ongeluckige drommelscop', seyde d'andere, 'was het hem niet genoeg een hoorendrager te sijn, maer most hij daer benevens noch een dief werden?'
Beschrijving
Een vreemdeling die iets te stellen had met een edelman vond hem toevallig, in gesprek met een paar andere lieden, op straat. Hij vroeg de man waar hij woonde. De man, die wel van een grapje hield, antwoordde als grap dat de man naar wie hij vroeg drie maanden geleden was opgehangen, omdat hij gestolen had. De vreemdeling antwoordde hierop: 'Was het voor hem nog niet genoeg een hoorndrager te zijn, moest hij ook een dief worden?!'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20