Hoofdtekst
Eén seer roemende dat hij soo wel te paert reet, seyde: 'Is er iemant die [het] beest beeter ten sprongh weet te lijden? Verwondert u niet de vasticheyt waermede ick aen de sadel kleef? Schijnt het u niet maer een bewegen der dijen die ick sluyt en der schencken die mij voeren? ' 'Mijnheer', seyde d'ander, 'ick geloof niet dat er iemant leve die u dese glorie sou meenen t'ontfutselen, want gij draegt u soo dat men sweeren sou u en u beest niet dan één te sijn.'
Beschrijving
Iemand schepte enorm tegen een ander op over het feit dat hij zo goed paard kon rijden. De ander zei dat niemand hem deze glorie zou ontnemen, omdat hij zich gedroeg alsof hij en zijn beest één waren.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20