Hoofdtekst
Eén, van sijn vrient aengesproocken werdende om gelt te leenen, seyde: 'Waert gij mijn vijant, soo soude ick het u leenen om mijn vrient te maecken, maer nu gij mijn vrient sijt, sou ick u niet geern mijn vijant maecken.'
Beschrijving
Iemand vroeg zijn vriend of hij wat geld van hem kon lenen. De vriend zei: 'Als je mijn vijand was, dan had ik je het geld geleend om je mijn vriend te maken, maar nu je mijn vriend ben, wil ik je niet graag tot vijand maken.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20