Hoofdtekst
Toevoegen aan §4, fol. 466 II (1951): Harmen van Eck – 31 jaar oud, fotograaf, gehuwd, 2 kinderen- is de jongste van de twee zoons, geboren uit het huwelijk van „Mevr. N.v.E.- S.”. De verhouding tussen hem en zijn moeder wordt uitstekend genoemd, hartelijk en vertrouwelijk. Zijn vader, die een antiquariaat bezat en dreef, is omstreeks zes jaar geleden gestorven.- De heer Van Eck vertelt dat zijn ouders, en later zijn moeder alleen, „bezeten” waren van „de vrije natuur”. Een groot deel van de vrije tijd werd wandelend of fietsend doorgebracht, hetgeen voor de twee zoons „opvoedend en vormend” werd gevonden. De heer Van Eck, volwassen gerakend, waardeerde die wandel- en fietstochten niet in het minst, en zelfstandig geworden „kon hij geen boom meer zien”, zoals dat ook met zijn broer het geval is.- Tijdens die „natuurexpedities” praatte zijn vader graag met „de plattelanders”, van welke hij ook nog wel eens wat inkocht voor zijn zaak. Moeder zocht en verzamelde stenen, veldkeiën, e.d.. Zij leest ook veel over dat onderwerp en heeft op zolder een uitgebreide, zéér goed onderhouden verzameling stenen en fossielen, die zij zelf bijeenbracht en die regelmatig en bewonderend werd bezichtigd door belangstellenden.- De heer Van Eck herinnert zich niet dat zijn moeder hem in zijn jeugd ooit „kabouterverhalen” vertelde. Gesprekken met zijn moeder over kabouters begonnen pas, zo meent hij, toe hij „een jaar of twintig” was. Wonderlijke gesprekken, die hij eerst niet goed begreep, maar waaruit hij allengs concludeerde dat zijn moeder geloofde in het bestaan van aardgeesten, van kabouters! En dat zij die „in de natuur” ontmoette en op een wonderlijke „psychische manier” contact met hen had…. Aanvankelijk verontrustte hem dat in ernstige mate, en dacht: „Zou dat een symptoom, van verkalking zijn”. Maar moeder bleef dezelfde pientere, intelligente vrouw en „zo sleet de angst weer”.- In tegenstelling tot zijn broer heeft zegsman zijn moeder terzake van „haar kabouters” nimmer tegengesproken, hetgeen hij ook niet zou hebben gedaan wanneer zij „christelijk gelovend” zou zijn geworden of als lid zou zijn toegetreden tot „een of andere politieke partij”. Evenmin deed hij duidelijk blijken niet in die wonderlijke verhalen te kúnnen geloven, waardoor er terzake van de kabouterverhalen een zeker vertrouwen bleef en zijn moeder hem wel een enkele keer over haar ontmoetingen met de kabouters vertelde. Dat begon eigenlijk nadat hij haar eens had gevraagd: spreken die kereltjes Nederlands? Zij verklaarde toen dat je met kabouters niet op de voor ons gewone wijze een gesprek kunt voeren, maar dat er een „vreemd geestelijk contact” is, waardoor je „geestelijk, inwendig converseert”, maar zulks uitsluitend wanneer je de „goede geestelijke instelling” hebt.- De heer Van Eck deelt op grond van diverse gesprekken met zijn moeder mee, dat kabouters „klein zijn”, meestal „kleiner dan tuinkabouters”. Zij dragen een rode, niet zo grote puntmuts, die alleen het gezicht vrijlaat en verbonden is met een soort kraag, een „korte pelerine”. De kleur van de kleding is in het algemeen „van bruin tot groen” en kan zich wijzigen terwijl je naar ze kijkt. Om hun middel dragen de kabouters een riem, „naar het lijkt van leder”. Zo ook „op leer gelijkende” „lage laarsjes” van een „plomp model”.- Lang niet alle kabouters dragen een baard. Van hun hoofdhaar –evenals de baarden: blond- is nooit veel te zien.- De kabouter verschijnt vaak vanuit „een nevelige figuur”, vanuit een „vaagheid met wazige contouren”, en verdwijnt ook weer op die wijze. Hun „trillingsgetal is anders” en daardoor is het ook mogelijk dat zij zich kunnen bewegen „door vaste stoffen heen”, ook „door de aarde”.- Kabouters zijn „vriendelijk”, maar ook „gauw aangebrand”, vaak om „redenen die je als mens niet kunt doorzien”. Over hun taak, de zin van het bestaan op onze wereld, heeft de heer Van Eck van zijn moeder nooit iets vernomen. De kabouters „reizen”. Zij „komen van ver en hebben nog ver te gaan”, maar zij „nemen voor dat reizen alle tijd” en verblijven soms „vele jaren” in één streek.- De „kabouterwaarnemingen” van zijn moeder – die zich in de loop der jaren een bromfiets kocht- liggen voor zover de heer Van Eck dat kan beoordelen, binnen een gebied dat, ruwweg, wordt begrensd door: Weert – Leende – Mierlo – Deurne – Westerbroek – Overloon – Wanssum – Grubbenvorst – Baarlo – Buggenum – Heythuysen – Weert.