Hoofdtekst
In de aanhef stelt de dichter lief Elsjen voor, zoals zij steewaart gaat met blinkende melkemmers aan het juk. Zij ziet er maar treurig uit, vanwege haar koperen oorijzer: 'Als had geen dansdeun ooit haar 't bloed Doen hupplen in het lijf!' Japik-buur, haar vrijer, verwaardigt zij nauwelijks met een groet. Oorzaak was de jaloezie: Grietjen-buur had op het feest van gisteren met haar kledij en tooisel alle meisjes overtroefd. Het allermooiste was wel haar zuiver gouden kap:
'Maar wie der dat heit bij 'ezet?'
Riep de eene meid aan de aar.
'Ze heeft als ik een dienst, Bijget!
Van twintig gulden maar'.
Elsjen overweegt, hoe zij ook aan zo'n sierraad geraken kan:
'Dus peinzend stapt ze voort,
Tot waar men door het kreupelhout
De toren ziet der poort.'
Vlak bij de stad ligt een putje, door eik en peppel overlommerd. Dat brengt haar op een idee: de melk zal zij met water vermengen!
Zij voegt de daad bij de gedachte en wekenlang loopt het uitstekend. Als de baas verneemt, dat de melk tegenwoordig zo blauw ziet, dan wijt Elsjen dat aan de 'blaeskop' (later 'blaarkop'). Eindelijk heeft zij zoveel overgewonnen, dat zij zich een gouden kap aanschaft. Op de terugweg naar haar dorp wil zij graag zien, hoe mooi de gouden kap wel staat en bij gebrek aan een zakspiegel snelt zij naar het Ronde Putje, om zich als een tweede Narcissus te spiegelen in het heldere water.
'Ze huppelt door het kreupelhout,
Buigt over het putje heen.
Wat plompt er neer! Mijn God! haar goud
Schoot los - zonk neer- verdween.
Ze grijpt het na; het baat niet meer!
Een stem rijst uit den vloed:
Wat van mij kwam, keer tot mij weer,
Nooit dijt gestolen goed.'
Nog lang nadien was Elsjen er stil van. Eerst haar huwelijk met Japik-buur werd een pleister op de wonde. De les van het putje had haar goed gedaan: zij gedroeg zich voortaan als een flinke, eerlijke, huisvrouw.
Als Japik haar in een slecht jaar aanraadt, de 'botter' wat zwaar te maken:
'Dan sprak ze: 'Neen, vanmiddag eer
Wat minder overvloed:
'Wat van ons komt, keert tot ons weer,
Nooit dijt gestolen goed.' '
'Maar wie der dat heit bij 'ezet?'
Riep de eene meid aan de aar.
'Ze heeft als ik een dienst, Bijget!
Van twintig gulden maar'.
Elsjen overweegt, hoe zij ook aan zo'n sierraad geraken kan:
'Dus peinzend stapt ze voort,
Tot waar men door het kreupelhout
De toren ziet der poort.'
Vlak bij de stad ligt een putje, door eik en peppel overlommerd. Dat brengt haar op een idee: de melk zal zij met water vermengen!
Zij voegt de daad bij de gedachte en wekenlang loopt het uitstekend. Als de baas verneemt, dat de melk tegenwoordig zo blauw ziet, dan wijt Elsjen dat aan de 'blaeskop' (later 'blaarkop'). Eindelijk heeft zij zoveel overgewonnen, dat zij zich een gouden kap aanschaft. Op de terugweg naar haar dorp wil zij graag zien, hoe mooi de gouden kap wel staat en bij gebrek aan een zakspiegel snelt zij naar het Ronde Putje, om zich als een tweede Narcissus te spiegelen in het heldere water.
'Ze huppelt door het kreupelhout,
Buigt over het putje heen.
Wat plompt er neer! Mijn God! haar goud
Schoot los - zonk neer- verdween.
Ze grijpt het na; het baat niet meer!
Een stem rijst uit den vloed:
Wat van mij kwam, keer tot mij weer,
Nooit dijt gestolen goed.'
Nog lang nadien was Elsjen er stil van. Eerst haar huwelijk met Japik-buur werd een pleister op de wonde. De les van het putje had haar goed gedaan: zij gedroeg zich voortaan als een flinke, eerlijke, huisvrouw.
Als Japik haar in een slecht jaar aanraadt, de 'botter' wat zwaar te maken:
'Dan sprak ze: 'Neen, vanmiddag eer
Wat minder overvloed:
'Wat van ons komt, keert tot ons weer,
Nooit dijt gestolen goed.' '
Onderwerp
SINSAG 0003 - "Was von mir kam, kehrt zu mir zurück."
  
Beschrijving
Over een melkmeid die een gouden kap verliest, die ze op oneerlijke manier verkregen heeft. Want 'nooit dijt gestolen goed'.
Bron
Willem Geldof (samensteller), Volksverhalen uit Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden. Dr. Tjaard en W.R. de Haan (red.). Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum 1979. p. 46-47.
BRON: Hendrik Jan Schimmel, Nederlandsche Volksalmanak, 1850, p. 41-54.
BRON: Hendrik Jan Schimmel, Nederlandsche Volksalmanak, 1850, p. 41-54.
Commentaar
1979
Valt onder de titel 8. Het ronde putje van Oost-Souburg
"Was von mir kam, kehrt zu mir zuruck" & SINSAG 0413, "Zu knapp gemessen, die Seele vergessen."
Naam Overig in Tekst
Elsjen   
Japik   
Grietjen   
Ronde Putje   
Oost-Souburg   
God   
Naam Locatie in Tekst
Narcissus   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
