Hoofdtekst
Herman Erbé
Lelystad
Dag van het Park
Zondag 7 juni 2009, 14.00 uur
HE: “Eerst even een vraag voor de kleintjes. Nou ja, kleintjes… Kinderen, weten jullie wat een legende is? Nee he? Daar was ik al bang voor. Dit is een legende: een legende is iets wat misschien gebeurd is, heel lang geleden, en misschien ook niet gebeurd is. Dat is een legende. En als dit gebeurd zou zijn, dan is het heel eng. Dus het is een beetje een eng verhaal. Maar denk dan maar dat het niet echt gebeurd is, hè? Enne… dit is een legende en die speelt… dat is gebeurd in Hamelen. Hamelen is een plaatsje in Duitsland. Dat bestaat echt. Aan een rivier. Enne… dat is in 1284… zou dat gebeurd zijn. En later zijn er allerlei verhaaltjes over gemaakt. Ene meneer Grimm die een heleboel sprookjes heeft gemaakt, heeft er ook een heel mooi verhaal over gemaakt. En de meneer die dit geschreven heeft, is onbekend. En die heeft dat geschreven in rijm. Je hebt gedichten, en die zijn heel moeilijk meestal, en rijmen, dat is net zoiets als Sinterklaasgedichtjes. Een beetje eenvoudig. Die kun jij maken, en jij maken. Maken jullie wel eens Sinterklaasgedichtjes? Goed!
Ik vertel nu dus een verhaal uit de oude tijd.
Voor Hamelen grijp ik in de snaren,
Waar de Weser stroomt, koel en wijd,
Langs de stadsmuur aan de zuiderzijd’.
Waar zes keer honderd jaar geleên de bevolking van de stad
Het verschrikkelijk te verduren had
Van overstelpende scharen ratten
Die lachten om vallen en katten.
Het lekkerste lokaas lieten ze staan,
Maar ze gapten gedroogde pruimen.
Ze haalden de kaas uit de stolpen vandaan
En de schuimspaan der keukenmeid likten ze aan,
Terwijl ze de soep stond te schuimen.
Ze braken in een kist met sprot,
Beten zuigelingen, ondanks de hoede der bakers.
En alle decorum ten spot
Bouwden ze nesten in zondagse hoge hoeden.
Hun gepiep en geknaag drong door alles,
Met vele kruisen en mollen.
Als de vrouwtjes dat hoorden op straat
Bijeen voor een praatje, dan gingen ze hollen.
En daar er één van dit leed
De schuld moest dragen
Koos men de leden van de raad,
Die laakten als de ratten knagen,
Maar zwijgt als het voorspoedig gaat.
De burgers riepen: “Ziet ze zitten,
In ’t hermelijn, door ons betaald
En om de rat wordt niet gemaald!
Als jullie wilt dat jullie buik voortaan
Dat lekkere bont omsluit,
Tracht dan je hersens te gebruiken
En vindt een rattenmiddel uit!”
De iets verbolgen corporatie
Zat in de grootste transpiratie
En ieder keek naar het plafond
Alsof het daar geschreven stond.
En de burgemeester hield zich koester
Dan een reeds lang geopende oester.
En toen klonk zijn stem – aangedaan was ‘ie -:
“Ik wou dat ik veilig hier vandaan was.”
Ja, naar ieders hart was deze taal.
Plots… er klonk geritsel in het portaal.
Daar schuifelde wat, alsof een rat
Zijn pootjes veegde op de mat.
De raad - de stuipen! –
Zag er iets engs naar binnen kruipen.
Wiieee! Een wezen was het in een lange pij
Deels rood en geel ter and're zij.
Een kerel was het als een lat,
Die ogen scherp als naalden had.
Zijn ogen schoten vreemde vlammen.
Hij kon niet van deze aard’ afstammen.
Hij had iets van een stofloos wezen,
Dat uit de dood was opgerezen.
Een geest, door Gods bazuin ontwaakt,
En daarna aan den dool geraakt.
Hij trad als ruis in de snaren
Zo zacht voor de edelachtbare schare,
En sprak: “Ik ben van ginds vertrokken
Om alles met mij mee te lokken
Wat kruipt, wat zweeft,
Wat wroetend in de holen leeft.
Mij is een stille kracht gegeven.
Ik ben de zoete baan van het leven.
Het avondgoud, het morgenrood;
Mijn lied is sterker dan de dood.
Wie het doordringt met duistere machten
Zal mijn schitterschijn weer achten.
En wijl de mens aan de aarde zich hecht,
Heb ik mij er het meest op toegelegd
Om al wat hem hindert te verderven,
Dus… doe ik pad en adder sterven.
Mij ritselen ratten achterna
Als ik voor hen aan het pijpen ga
En toeven in hun hol niet langer.
Men noemt mij wel… de Rattenvanger.”
Gebonden om zijn hals en keel
Droeg hij een lint: half rood, half geel.
Daaraan hing voor zijn borst een fluit.
Hij spreidde traag zijn vingers er op uit
Als stond hij fel er naar te valen
Ze langs de kleppen te doen dalen.
Hij sprak: “Ik heb bij de Polakken
De vorst bevrijd van kakkerlakken.
Ik was er als een kind aan huis.
De druifluis lokte ik aan de Ebro
En voor de vorst van Montenegro
Versloeg ik menig andere luis.
Voor de kalief van Egypte
Doodde ik de sprinkhaan die daar wipte
Met legioenen door het dal des Nijls.
Ik riep vampiers uit spelonken
Waarvoor mij een orde werd geschonken
Door de oude radja van Nepal.
Bevrijd ik nu uw stad van ratten,
Welk loon zult gij mij waardig schatten?
Eénduizend gulden, is dat goed?”
“Eénduizend? Vijf maal meer!”
Was de exclamatie
Van de royale corporatie:
“Het koste wat het kosten moet!”
De pijper lachte. Het hart gerust,
Als van zijn toverkracht bewust.
En toen hij op het marktplein stond
Bracht hij het fluitje aan zijn mond,
Spitste vurig zijn lippen,
Drukte op de kleppen
En in een wonderlijk geluid
Blies hij een reine fa eruit.
Hartstochtelijk hijgde hij accoorden.
De echo riep in alle oorden des stads.
Van de donkere kersen
Hingen de zomerluchten vol.
De pijper blies een rijpe sol.
En in de kelders begon het te rommelen
En op de zolders begon het te rammelen,
Te krabbelen en te grabbelen…
En in walgelijke golven, niet meer te stuiten,
Barstten de ratten, de ratten naar buiten.
Oehhh, deze vieze ratten.
Ratten log en lenig als katten,
Ratten met wratten en adergespatten.
Ratten met boosaardige ogen
En ratten nog kinderlijk opgetogen.
Verloofde ratten, twee aan twee,
En ratten in de familiewee
Met opstaande staarten en uitstaande snorren
Waarmee ze elkander liepen te porren.
De pijper na en zijn levenslied.
Waarheen? Waarheen? Dat wisten ze niet.
De straten door, de pleinen op, woest in de pas
Alsof het een ratten-ragtime was.
Maar dat was toch om gek van te worden?
Dat klonk als getik tegen volle borden.
Als perzikken en peren en aalbessen
Die zomerrijp en zwaar – plof! - van de takken vielen.
Als hing de hemel van ham aan elkaar.
Daar lag de Weser, des pijpers doel.
Hij stroomde zo vredig, hij stroomde zo koel.
Ze konden het niet houden, de stomme ratten:
Ze sprongen erin en verdronken als katten.
Wat toen dat Hamelse volk tekeer ging!
Ze luidden de klok tot de kerk op en neer ging.
Juist riep de geestdriftige burgemeester:
“Bestuif met lange stokken bomen en heester,
Por in alle holen en andere verblijven:
Geen rattenvoetspoor zal hier nog beklijven.”
En toen, met een bescheiden glimlach om de mond,
De pijper in de raadzaal stond
Met een quitantie – duizend gulden…
“Duizend gulden? Op je gezicht!
De ratten hebben we zelf zien kreperen,
En wat dood is, kan nimmer wederkeren.”
De vroedschap die van woede knarst,
Riep: “Fluit kerel, tot je barst!”
“Wie ontrouw in zijn boezem sluit,
Zal ik een ander deuntje fluiten.
Gedenkt uw woorden, edele heren:
Wat dood is, zal nimmer wederkeren.”
De pijper ging. De harten lavend
Blies hij zijn liedje in de avond.
Dat schalde rijker dan tevoren;
Dat zong van heil nog ongeboren;
Dat zong van kracht door God gegeven;
Van grenzen wijder dan dit leven;
Van avondgoud, van morgenrood,
Van banden sterker dan de dood.
En plotseling, ontwaakt,
Staren kleine snoetjes de avond in;
En armpjes en voetjes
Roerden en gleden de bedjes uit.
Hoe joegen de hartjes bij dit geluid?
Men hoorde kleine stemmetjes snappen.
Er klepten klompjes langs gangen en trappen
Er klapten handjes
Er glansden tandjes,
En alle oogjes begonnen te blinken.
Aan alle deuren rumoerden de klinken.
En in lieve scharen, niet meer te stuiten,
Stroomden de kinderen, de kinderen naar buiten.
De lieflijke peuters, de waggelende kleuters
Met rozige blosjes en krulletjes losjes,
Met popjes en paardjes, gauw meegenomen,
Op het gevaar af niet meer mee te komen
Met het mannetje met zijn fluitje van riet.
Waarheen? Waarheen? Dat wisten ze niet.
Met dit vreselijke schone beeld dat ze zagen
Stonden ouders en vroedschap lamgeslagen.
Geen ouderhand hield de kinderen tegen.
Er heerste betovering allerwegen.
En reeds lokte de Weser, vredig en koel.
Dan is weer het water des pijpers doel!
Oh God, gena voor die lammeren zonder erg!
Maar ziet, hij wendt de voet naar de Koppenberg,
Ten westen der stad.
De Koppenberg kan ‘ie nooit bestijgen,
Dan zijn ze gered! Nu moet hij zwijgen.
Ziet, de Koppenberg splijt vaneen.
En binnen donkerte, maatloze verte,
Met fonk’lende lichten bezond en besterd.
De pijper gaat voor. Dan… sluit zich de muur
En zijn allen verzonken.
Oh Hamelen, Hamelen, rampzalige stad,
Die in uw poorten geen kinderen meer had!
Naar de pijper zochten nu afgezanten
Met wel tien maal zijn loon en een vracht
Van goud - als loon als hij ze wederbracht.
Het was te laat. De berg hield voor eeuwig omsloten
De speelman en zijn kleine genoten.
[Applaus]
De vorige keer dat ik dat vertelde, zat er een Amsterdams echtpaar. En toen zei zij tegen hem: “Ga je mee, Jan? Gaan we koffie drinken. Mooi verhaal hè?” Zegt hij: “Wat mooi verhaal? Ik heb wel wat sterkers nodig dan koffie. Ik doe geen oog dicht vannacht. Wat een rotverhaal”.”
[Lachen en applaus]
[…]
TM: “Mag ik nog een vraag stellen daarover? Hoe oud is dit ongeveer?”
HE: “Geen idee.”
TM: “Wanneer heeft u het geleerd, dat verhaal?”
HE: “Ik heb het geleerd in ehhh…. ’39.”
TM: “1939. Op school zat u toen? Of…?”
HE: “Toen zat ik natuurlijk op de lagere school, maar toen logeerde ik bij vrienden ergens in Wijk aan Zee. En toen hoorde ik het daar op het strand vertellen, bij het kampvuur. En toen nog een keer. En toen kon ik het.”
TM: “Ja? Hoe kan dat nou, want het is zo’n lang verhaal?”
HE: “Ja, dat weet ik. Maar het is zo. Ik heb een selectief geheugen. Ik kon niet leren op school, maar dit kon ik wel.”
TM: “Ja, ze hebben het wel vaker over mensen die dat kunnen, maar meestal geloof ik het niet, want het is zo…”
HE: “Het is echt waar.”
TM: “… Het is zo lang. Als het nou een liedje is met een refreintje en… hè?”
HE: “Later ga je er natuurlijk aan schaven en dan hoor je het ook nog eens van iemand anders. Natuurlijk, het zal niet woordelijk geweest zijn, maar uh… Sinds die tijd ken ik het.”
TM: “Jajaja… Dus u kent het helemaal niet uit een boekje, maar..”
HE: “Nee, ik ken het niet uit een boekje.”
TM: “Twee keer gehoord…”
HE: “Ja, een paar keer gehoord, ja.”
TM: “Okee. Mooi. Dank u wel.”
Onderwerp
SINSAG 0689 - Der Rattenfänger   
ATU 0570* - The Rat-Catcher.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Sinterklaas   
Rattenvanger   
Polakken   
Ebro   
Egypte   
Wijk aan Zee   
God   
Naam Locatie in Tekst
Hamelen   
Duitsland   
Grimm   
Weser   
Montenegro   
Nijl   
Nepal   
Koppenberg   
Amsterdam   
