Hoofdtekst
Een boer, leckene aen een honington die voor een kruydeniersdeur stont, kreegh van de knegt met de spae die daer gewoonlijck in staet een braeve klap. De kinckel vlooch in huys, grijpende de vrouw (die hij meende dat het gedaen hadt) en streeck se rontom met honingh, seggende: 'Mejuffrouw, vergram u niet, want al wat er geschiet, geschiet in soeticheyt.'
Beschrijving
Een boer snoepte uit de honington van de kruidenier. Hij kreeg een klap. De boer smeerde uit wraak honing op de vrouw van de kruidenier. Hij zei tegen de vrouw dat ze niet boos moest worden, want alles wat er gebeurd, gebeurd in zoetigheid.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20