Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

OVER2331

Een mop (boek), derde kwart 17e eeuw

Hoofdtekst

Een persoon, een peert gehuyrt hebbende, reedt daermede een gantschen dag, sonder dat hij het te eeten of te drincken gaf, waerop het 's avonts op stal komende daer neder viel ende peryckel liep van te sterven. Ende den verhuyrder hem doch niet konnende bewijsen dat hij het geen eten noch drincken gegeven hadde, alhoewel hij het wel giste, soo riep hij hem voor de magistraet, seggende dat hij sijn toom wilde betaelt hebben, alsoo sij onderweegs in de herberg den toom verruylt hadden en in plaets van een goeden een slechten toom aengedaen hadden. Waerop hij verklaerde dat sulcx niet waer was, alsoo hij in geen herberg geweest was en et peert den toom den heelen dag niet uyt de mont gehadt hadde. 'Dat geloof ick oock', seyde den verhuyrder, 'daeruyt blijckt nu klaer dat ghij het den heelen dagh geen eeten gegeven gebt, dat het nu soo mat is dat het leyt en sterft, daerom soo versoecke ick dat hij sult gecondemneert [werden] mij 'tselve te betaelen, 'twelck oock geschiede.

Beschrijving

Een man had een paard gehuurd. Toen hij het terug bracht lag het op sterven en de verhuurder verdacht hem er terecht van het beest geen eten of drinken te hebben gegeven. Hij kon dit niet bewijzen, dus riep hij hem voor de magistraat met de beschuldiging zijn goede tuig verwisseld te hebben voor een slechtere toen hij in een herberg was; hij wilde het verschil uitbetaald krijgen. De man zei dat hij niet in een herberg geweest was, en het tuig niet van het paard af was geweest. Dat was bewijs dat hij het paard verhongerd had, en hij moest ervoor betalen.

Bron

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991

Commentaar

Derde kwart zeventiende eeuw

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20