Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

INZ00282

Een sage (internet), donderdag 19 augustus 2010

Hoofdtekst

Ik hoor, zie, ruik en voel al mijn hele leven dat er meer is tussen hemel en aarde. Ik zie geesten vooral in omgevingen van ziekenhuizen, parken, bossen et cetera. Toen ik klein was, was ik er doodsbang voor. Ik dacht dat ze mij mee wilden nemen en ik snapte er allemaal niks van. Ik zag dat er een man tegen mijn moeder stond te praten. Ik zei tegen mijn moeder; “Mam, die man staat tegen u te praten”, waarop mijn moeder antwoorden van; “Er staat helemaal geen man.” Vanaf dat moment ging er bij mij een lampje branden. Ik bleef doorvragen aan mensen of zij ook de mensen zagen die ik bedoelde. Niemand kon mij verder helpen en werd af en toe voor gek verklaard. Toen ik begon te puberen vond ik het allemaal wat te interessant worden. Ik begon dingen op te zoeken in de bibliotheek, keek vaker naar horrorfilms en deed aan oproepen van de Dood. Ik raakte aan de drugs doordat ik verkeerde vrienden kreeg. Toen ik probeerde te stoppen, ging alles mis. Ik werd bedreigd dat ik mijn verkeerde vrienden moest terugbetalen en als ik dat niet deed, dat er dingen met mijn familie zouden gebeuren. Ik kreeg last van stemmen in mijn hoofd. Ze gaven me opdrachten. Ik wist niet wat ik er mee aan moest. Ik dacht dat ik vast niet de enigste zou zijn. Ik dacht dat het bij mijn leeftijd hoorde. Ik werd tegenstrijdig tegenover iedereen. Mijn stemmen zeiden dat ik anderen wat aan moest doen. Ik begon schuldgevoelens bij mijn vrienden aan te praten. Ik raakte ze kwijt. Ik werd gek van de opdrachten. Ik kon niet meer stilzitten. Als ik ging zitten zeiden ze dat ik weer wat moest gaan doen. Op een gegeven moment wist ik niet meer wat de stemmen zeiden. Ik ving af en toe nog een opdracht, opmerking of een zware gedachte op. Ik was één geworden met de stemmen, ze hadden mijn lichaam over genomen en ik kon er niks aan doen. Ik werd een andere jongen. Ik was 13 jaar, in dat jaar kwam ik erachter dat ik homoseksueel was. Ik ben verkracht toen ik op een vriendin stond te wachten in het park. Ik zei niks tegen niemand. Ik probeerde een bijbaantje te zoeken, maar als jongen van 13 verdien je haast niks dus begon ik te jatten. Van het geld kon ik net al mijn schulden terugbetalen. Ik vond het vreselijk. Ik wist niet hoe anderen over mij begonnen te denken. Ik werd gek van binnen, alles verzamelde en verzamelde totdat ik het niet meer trok. Ik ben nu 17. Ik ben vorig jaar december 2008 met kerstavond opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik had daar de hoop dat ik geholpen werd. Ik voelde me thuis daar. Ik kon met mensen praten die hetzelfde meemaakten als mij. Tot even ging alles goed. Ik werd geholpen, kreeg medicijnen en dacht dat alles over zou gaan, maar dat was niet het geval. De nachten die ik daar heb meegemaakt waren niet zoals andere nachten. Het leek wel of ik een contactpersoon was van de doden. Ze stonden in mijn kamer en ik zag ze buiten mijn kamer. Ze zeiden niks maar bleven mij aanstaren. Ik was bang. De stemmen in mijn hoofd zeiden dat ik achterna werd gezeten. Ik werd gek, ik dacht dat ik achtervolgd werd. Ik kon niet slapen. Mijn gevoel zei de hele tijd dat er een man achter mijn bed stond. Ik durfde niks te zeggen, uit angst dat mensen mij voor gek verklaarden. Na een tijdje durfde ik de gang niet meer op ’s nachts. Als ik naar de wc moest wachtte ik tot de volgende dag. Ik zag niet alleen maar geesten, ik zag en onthield de ogen van de geesten. Als ik creatieve therapie had, tekende ik ogen. De ogen die ik had gezien. Ik werd achtervolgd door de ogen. Ik las en hoorde dat het een goed teken kan zijn als je de ogen ziet. Alleen het nadeel van de ogen, ik zag ze overal. In het gordijn, door de tv heen, in een raam, in struiken, in auto's, alles. Het nadeel daarvan volgens het Katholieke geloof is dat de ogen van de duivel zijn, die meekijkt naar deze wereld. Daar ging ik over nadenken. Ik werd ondertussen alleen maar gekker. Ik wist niet waar ik alles kwijt moest. Ik kon niet huilen, alles zat vast. Ik leerde een medepatiënt kennen. Met haar praatte ik over veel dingen. Op een dag kwam ze tegenover me zitten en uit het niks vroeg ze of ik was verkracht. Ik kon geen ander antwoord bedenken dan ja. Het was een hele opluchting. Ik ben haar daar zo dankbaar voor geweest. Ik ging makkelijker praten over mijn problemen en merkte dat alle beetjes, die ik kwijt kon, helpen. Het leek of ik in het ziekenhuis minder bang werd, maar dat was niet zo. Dat was voor een tijdje maar zo.
Door alles wat ik meemaakte leek het wel of ik de wereld vroeg had ontdekt. Er waren dagen bij dat ik zo bang werd, dat ik ging hyperventileren en dat ik wel de gang oprende naar de uitgang en schreeuwde dat ik er uit wou. Ik kon het allemaal niet meer aan, alles zat me zo dwars. Op een avond ging ik voor de tv zitten in het ziekenhuis, gewoon zoals alle andere dagen. Ik zag een meisje die ik nooit eerder had gezien. Het was een meisje van een jaar of 7, blond haar en een knuffel had ze bij zich. Ze keek me aan en ging weer weg. Ik zag haar vaker, ze kwam me opzoeken in mijn slaapkamer. Ik ben toen naar de verpleegpost gegaan en heb het verteld. Ze zeiden dat het waanbeelden waren. Ik kon mijn verhaal weer niet kwijt. Het is een ziekte, zeiden ze, maar ik was er sterk van overtuigd dat ik het gezien had. Ik werd boos maar uitte het niet. Ik liep weer terug naar de woonkamer om te roken. Ik was alleen en er lag een lampenkap naast me. Het was kapot. Ik pakte het ijzer wat er aan vast zat en kraste ermee over mijn arm tot het rood werd. Het voelde goed, zo goed, ik kon het niet in woorden omvatten. Ik deed het vaker, maar dan met roerstaafjes van de koffie, die van plastic. Ik beet ze door de midden en kraste me open. Het werd steeds erger. Mijn pijngrens werd verhoogd en ik bleef steeds met de gedachte zitten; ´als ik dit doe gaan de stemmen weg´. Ik ging hierin geloven. Ik besefte op een gegeven moment, dat het niet meer om mijn gedachten ging, maar het hielp om al mijn problemen even te vergeten.
Ik zag even geen geesten en voelde me niet schuldig. Alles leek zo goed te gaan. Ik ging met ontslag uit het ziekenhuis. Ik was niet beter, ik heb me stemmen nog steeds. Ik heb geleerd om er controle over te hebben. Ik weet niet wat ik doe en wat ze zeggen. De angst gaat niet weg, maar ik begin wel behoorlijk wat dingen te snappen. Ik heb een tante die paranormaal begaafd is. Ze zei al toen ik in het ziekenhuis lag, dat ik geen medicijnen moest nemen omdat het een gave is. Nu ik dat eenmaal in zie, heb ik daar vrede mee. Het is af en toe vervelend, maar je moet er maar mee om leren gaan. Heb nu medicijnen om mijn angst te verminderen en hoop dat alles goed komt. Mijn diagnose is borderline geworden. Ik wil ook gewoon leven zoals ieder van mijn leeftijd. Ik heb van een goeie vriendin geleerd dat je jouw ziektebeeld niet de schuld moet geven, maar dat je altijd moet onthouden dat je gewoon wil leven zoals een ander mens. Zo trek ik mij nu ook door de tijd heen. (Michael C.) *De verteller is afkomstig uit Rotterdam.

Beschrijving

De verteller ziet geesten, maar niemand gelooft hem. Hij raakt aan de drugs, hoort stemmen en begon te stelen. Hij wordt later opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar hij nog steeds dingen ziet die nu worden afgeschreven als waanbeelden. Nadat hij uit het ziekenhuis is gaat het gewoon door maar hij leert er controle over te krijgen, zo heeft hij er vrede mee.

Bron

Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut

Commentaar

2010-08-19 15:29:27
De verteller kent het verhaal van Michael C. uit Rotterdam.

Naam Overig in Tekst

Michael C.    Michael C.   

Naam Locatie in Tekst

Rotterdam    Rotterdam   

Plaats van Handelen

Rotterdam (Zuid-Holland)    Rotterdam (Zuid-Holland)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21