Hoofdtekst
In de Leydsche schuyt na Den Hage sat een vrouw met een kint van vier jaren. In 't hoeckje, vier à vijf plaetsen van haer sat een karel op sijn soldaets gekleet, die haer begost aen te spreecken. R. 'Vrouwtjen, is dat uw kint?' 'Ja vrient.' R. 'Hoe oudt is 't al? Waer ben je vandaen? Leeft uw man noch? etc.' 'Wel, waerachtig, het is een schoon kint, maer wat schort het aen sijn oogjes?' R. 'Het is bijna blint.' R. 'Wie gebruyck je daervoor?' R. 'Niemandt.' R. 'Wel, dat is sonde dat je daer geen raedt voor doet.' R. 'Wat raedt soude ick gebruycken, ick heb er all' mijn middeltjes aen vermeestert en 't en helpt niet.' R. 'Dat is evenveel, ghij moet daer niet op sloffen, maer de hand aen houden. Seecker, het doet mij recht seer, ick hebbe compassie met dat kint. Siedaer' (met haelde hij sijn hoedt van sijn kop en taste met de andere hand in sijn beurs), 'ik ben maer een arm soldaet op vijf stuyvertjes, daer is evenwel mijn laeste dubbeltje, al soude ik t'avond droog broot eeten of honger daerom lijden. Weer aen, vrienden, de man een stuyvertjen of wat hem belieft.' Daermede dede de hoet de ronde, die tamelijck gevoedt weet thuys quam, alsoo het voor een arm blint kint was en niemant minder dorst toeleggen als die arme soldaet. Hij wierp de vrouw al het gelt in haer schoot, maer doe men den dam gepasseert was, vernam men noch vrouw, noch kint, noch soldaet, soodat met presumeerde dat sij besich waeren, als man en vrouw sijnde, de buyt te deelen.
Beschrijving
In de boot van Leiden naar Den Haag zat een vrouw met een jong kind, en een soldaat achter haar. De soldaat kwam in gesprek met de vrouw, en kwam erachter dat het kind bijna blind was. De vrouw had alle middeltjes geprobeerd, maar had het nu opgegeven. De soldaat vond dit een schande, en deed wat geld in zijn hoed, hoewel hij het nauwelijks kon missen, voordat hij de hoed liet rondgaan. De hoed kwam gevuld terug, en de vrouw, kind en soldaat waren even later verdwenen. Ze zaten waarschijnlijk de buit te verdelen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Leiden   
Den Haag   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
