Hoofdtekst
Een snaeck, in een treckschuyt na Den Hage nevens een groten kakelaer sittende, sag een luys op sijn mantel lopen. Hij hield sigh dan eens of hij stillekens wat van sijn mantel afnam, dan afschudde, dan afveegde (sonder evenwel de luys aen te raeken). R. 'Wat duyvel kaerel schort u met uw overtollige beleeftheyt, meent ghij dat ick luysen heb?' 'Neen, toch niet', seyde de ander, en nam toen de luys en ley se voor hem, dat den snapper sijn spraeck benam.
Beschrijving
Een man zat in de boot naar Den Haag naast een man die erg veel praatte, en zag een luis op zijn mantel lopen. Zonder de luis aan te raken deed hij steeds alsof hij iets van de mantal afveegde, tot de man hem vroeg of hij soms dacht dat hij luizen had. Hij ontkende maar legde de luis voor hem, waarop de man zijn mond hield.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Den Haag   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
