Hoofdtekst
Trijn raeckte met Machtelt in een seet hoog krackeel en seyde onder andere uytbraeckselen: 'Jou eereloose, ja jou ooreloose hoer.' R. 'Dat lieg je, jou Basiliscus.' Met streeck sij 'er kap af: 'Daer sijn sij noch allebey.' R. 'Dat's waer, schijtkous, maer sij staen niet daer sij hooren.' R. 'Waer duyvel wouw ghij se dan hebben, achter in mijn neck?' R. 'Neen, aen de kaeck.'
Beschrijving
Trijn had ruzie met Machtelt en verweet haar een orenloze hoer te zijn. Machtelt ontkent dit en laat zien dat ze wel zeker oren heeft, waarop Trijn zegt dat ze niet op de goede plaats staan. Machtelt vraagt: 'Waar de duivel wil je ze dan hebben, achter in mijn nek?' 'Nee, aan de kaak.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
'Kaak' betekent ook schavot, en voor sommige misdrijven werden de oren afgesneden en aan de kaak (het schavot) vastgespijkerd. (Woordenboek der Nederlandsche Taal, onder kaak)
Naam Overig in Tekst
Trijn   
Machtelt   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
