Hoofdtekst
KLEINE KLAAS EN GROTE KLAAS
Er waren in een stad twee mannen die beiden dezelfde naam hadden: beiden heetten ze Klaas, maar de een bezat vier paarden en de ander slechts één. Om hen nu uit elkaar te houden noemde men hem van de vier paarden grote Klaas en hem met maar één paard kleine Klaas. Nu zullen we horen hoe het die twee verging, want het is werkelijk gebeurd!
De hele week door moest kleine Klaas ploegen voor grote Klaas en hem zijn enig paard lenen; dan hielp grote Klaas hem op zijn beurt met alle vier zijn dieren, maar slechts één keer in de week, en dat was op zondag. Heisa! Wat klapte die kleine Klaas met zijn zweep over de vijf paarden. Zij waren immers zo goed als van hem die éne dag. De zon scheen zo heerlijk en alle klokken in de kerktoren riepen de mensen naar de kerk; zij waren netjes aangekleed en gingen met het gezangboek onder de arm de dominee horen preken en keken naar kleine Klaas, die met vijf paarden ploegde en zo in zijn sas was dat hij opnieuw met de zweep klapte en riep: “Hop, paarden van me!”
“Dat mag je niet zeggen!” zei grote Klaas, “dat ene paard is toch alleen van jou!”
Maar toen er weer opnieuw iemand voorbijging naar de kerk, vergat kleine Klaas dat hij dat niet zeggen mocht en riep: “Hop, paarden van me!”
“Nu moet ’t uit zijn, alsjeblieft,” zei grote Klaas, “want als je dat nog eens een keer zegt, dan zal ik jouw paard een dreun op zijn kop geven dat ie dood neervalt! Dan is ’t met hem gedaan!”
“Ik zal ’t heus niet meer zeggen!” zei kleine Klaas, maar toen er weer mensen voorbijkwamen en goedendag knikten, werd hij zó vrolijk en vond hij het zó flink staan dat hij met vijf paarde zijn akker ploegde, dat hij met de zweep klapte en riep: “Hop, paarden van me!”
“Ik zal je paarden hoppen!” zei grote Klaas, hij nam een knots en sloeg kleine Klaas zijn enig paard op zijn kop, zodat het morsdood neerviel.
“Ach jé, nu heb ik helemaal geen paarden meer!” zei kleine Klaas, en hij begon te huilen.
Daarna vilde hij het paard, hij nam de huid, liet die goed in de wind drogen. Toen stopte hij het vel in een zak die hij op zijn nek nam en hij ging op weg naar de stad om het te verkopen.
Het was een heel eind lopen en hij moest door een groot, donker bos. Het werd verschrikkelijk slecht weer, hij verdwaalde en voor hij weer op de goede weg kwam was het avond en toen was de stad te ver om nog vóór de nacht binnen te zijn.
Dicht bij de weg lag een grote hoeve, de luiken waren gesloten maar het licht scheen aan de bovenkant door de kieren. Daar zal ik wel mogen overnachten, dacht kleine Klaas en hij ging erheen om aan te kloppen.
De boerin deed open, maar toen ze hoorde wat hij wilde zei ze dat hij weg moest gaan, haar man was niet thuis en zij liet niemand binnen.
“Nou, dan mag ik zeker wel buiten liggen,” zei kleine Klaas, en de boerin deed de deur voor zijn neus dicht.
Dichtbij stond een grote hooiberg en tussen de hooiberg en het huis stond een kleine schuur met een plat strodak.
“Daar kan ik bovenop liggen!” zei kleine Klaas toen hij het dak zag, “dat is een heerlijk bed, de ooievaar zal wel niet naar beneden komen en me in mijn benen bijten.” Er stond namelijk een levende ooievaar op het dak, die daar zijn nest had.
Nu kroop kleine Klaas boven op de schuur, maar hij kon niet dadelijk zijn draai vinden. De houten luiken voor de vensters sloten aan de bovenkant niet af, zodat hij in de kamer kon kijken.
Daar was een grote tafel gedekt, met wijn en gebraad erop en heerlijke vis; de boerin en de koster zaten aan tafel, alleen met hun beiden; zij schonk wijn voor hem en hij werkte de vis naar binnen, want daar was hij dol op.
“Dat zou ik ook wel lusten!” zei kleine Klaas en hij keek door het venster de kamer binnen. Lieve hemel, nu zag hij de heerlijke taart pas goed! Was me dat een feesteten! Nu hoorde hij dat er iemand op de grote weg kwam aanrijden: het was de man van de boerin, die thuiskwam.
Het was zeker een heel beste man, maar hij leed aan de vreemde kwaal dat hij geen kosters kon zien; kreeg hij een koster onder ogen dan werd hij razend. De koster was dan ook op bezoek, omdat hij wist dat de man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem het beste voor dat ze had. Toen ze de man thuis hoorden komen schrokken ze zó dat de boerin de koster vroeg in een grote, lege kist te kruipen, die in de hoek stond; dat deed hij dan ook omdat hij wist, dat die arme man nu eenmaal geen kosters kon uitstaan. De vrouw borg al het heerlijke eten en de wijn in haar oven, want als de man dát zag had hij zeker gevraagd wat dat moest betekenen.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas daar boven op het schuurtje, toen hij al het eten zag verdwijnen.
“Zit daar iemand boven op?” vroeg de boer en hij keek naar kleine Klaas. “Wat die je daar? Kom liever mee naar binnen!”
Toen verteld kleine Klaas hoe hij was verdwaald en hij vroeg of hij daar mocht overnachten.
“Best, hoor!” zei de boer, “maar eerste moeten we zien dat we wat te bikken krijgen.”
De vrouw ontving hen allebei heel vriendelijk, dekte een lange tafel en zette hun een grote schaal met gort voor. De boer had honger en at er met smaak van, maar kleine Klaas moest de hele tijd denken aan dat verrukkelijke gebraad en de vis en de taart, hij wist dat het in de oven stond.
Onder de tafel aan zijn voeten lag de zak met de paardehuid erin, want zoals wij weten was hij met het paardevel van huis gegaan om het in de stad te verkopen. Hij vond de gort helemaal niet lekker en toen trapte hij op zijn zak en de droge huid piepte luid.
“Stil,” zei kleine Klaas tegen de zak, maar hij trapte er meteen weer op en toen piepte het droge vel nog harder.
“Nee maar, wat heb je daar in die zak?” vroeg de boer.
“O, dat is een kaboutertje!” zei kleine Klaas, “hij zegt dat we geen gort moeten eten, hij heeft de hele oven vol gebraad en vis en taart getoverd.”
“Wát!” zei de boer en hij opende vlug de oven en zag daar al het heerlijke eten dat de vrouw daar had opgeborgen, maar hij geloofde dat het kaboutertje in de zak het voor hen had getoverd. De vrouw durfde niets te zeggen maar zette het eten dadelijk op tafel; en toen aten zij van de vis, het gebraad en de taart. Nu trapte kleine Klaas opnieuw op de zak, zodat de huid piepte.
“Wat zegt hij nu?” vroeg de boer.
“Hij zegt,” zei kleine Klaas, “dat hij nog drie flessen wijn voor ons getoverd heeft; die staan daar bij de oven in de hoek!” Nu moest de vrouw de wijn voor den dag halen die ze had verstopt, en de boer dronk en werd vrolijk: zo’n kaboutertje als kleine Klaas in zijn zak had wilde hij zelf allemachtig graag hebben.
“Kun je ook de duivel te voorschijn toveren?” vroeg de boer, “die zou ik weleens graag willen zien, ik ben nu in een vrolijke bui!”
“Ja,” zei kleine Klaas, “mijn kaboutertje kan alles wat ik van hem verlang. Nietwaar?” en hij trapte op de zak dat het piepte. “Kun je horen dat hij ja zegt? Maar de duivel ziet er zo gemeen uit, het is maar beter dat je hem niet ziet!”
“O, maar ik ben helemaal niet bang! Hoe zou hij er wel uitzien?”
“Ja, je zult zien dat hij precies een koster is!”
“Hu,” zei de boer, “wat een gemeen smoel zal dát zijn! Je moet weten kosters kan ik niet luchten of zien. Maar dat doet er nu niet toe, ik weet immers dat het de duivel is, en dan kan ik het beter hebben! Ik durf best! Maar hij moet toch niet al te dicht bij me komen!”
“Nu, zal ik mijn kaboutertje eens vragen!” zei kleine Klaas, hij trapte op de zak en luisterde.
“Wat zegt hij?”
“Hij zegt:jullie moeten de kist openmaken die daar in de hoek staat, en dan zie je de duivel eruit koekeloeren, maar je moet het deksel goed vasthouden, dat hij niet ontsnapt.”
“Wil je me helpen vasthouden!” zei de boer en hij ging naar de kist, waar de vrouw de echte koster ingestopt had en die erg in angst zat.
De boer tilde het deksel een eindje op en keek eronder: “Hu!” schreeuwde hij en hij sprong terug, “Waarachtig, ik zag hem, hij was net onze koster! Nee maar, ’t was vreselijk!”
Daar moest op gedronken worden, en toen dronken zij verder tot diep in de nacht. “Die kabouter moet je me verkopen!” zei de boer, “vraag maar voor hem wat je wilt! Ik geef je er dadelijk een hele bom geld voor!”
“Nee, dat kan ik niet!” zei kleine Klaas, “bedenk eens wat een plezier ik van zo’n kaboutertje hebben kan!”
“Ach, ik zou hem zo drommels graag hebben!” zei de boer en hij bleef maar smeken. “Ja,” zei kleine Klaas, “omdat jij zo vriendelijk bent geweest mij vannacht onderdak te geven zal ik het maar doen. Jij kunt ’t kaboutertje krijgen voor een schepel geld, maar dan moet het schepel ook boordevol zijn.”
“Dat kun je krijgen,” zei de boer, “maar die kust daar moet je meenemen, die wil ik geen uur langer in mijn huis hebben, je kunt nooit weten of hij er nog niet in zit.”
Kleine Klaas gaf de boer de zak met het paardevel erin en kreeg er een heel schepel geld voor, de boer schonk hem ook nog een grote kruiwagen om het geld weg te rijden en bovendien de kist.
“Vaarwel!” zei kleine Klaas en hij reed weg met het geld en de kist, waarin de koster nog zat.
Aan de andere kant van het bos was er een grote, diepe rivier, het water stroomde zo snel dat je er nauwelijks tegen op zou kunnen zwammen; er lag een grote, nieuwe brug over. Kleine Klaas hield midden op de brug stil en zei luid, opdat de koster in de kist het goed hoorde: “Wat moet ik toch met die gekke kist beginnen! Dat ding is zo zwaar alsof er stenen in zitten. Het gaat me vervelen zo nog verder te rijden, ik gooi haar maar in de rivier, drijft ze naar mijn huis toe, best, en zo niet, dan kan ’t me ook niet schelen!”
Hij pakte met de ene hand de kist beet en tilde jaar een eindje in de hoogte, alsof hij haar in het water wilde gooien.
“Houd op,” riep de koster binnen in de kist, “laat me eruit.”
“Hu!” zei kleine Klaas die deed of hij bang was. “Hij zit er nog in! Dan moet hij dadelijk de rivier in, dan kan hij verdrinken!”
“Nee, nee! Riep de koster, “ik geef je een schepel geld, als je ’t niet doet!”
“Dat is wat anders!” zei kleine Klaas en hij maakte de kist open. De koster kroop er dadelijk uit hij duwde de lege kist in het water en ging naar zijn huis, waar kleine Klaas een schepel geld kreeg; hij had er eerst een van de boer gekregen, nú had hij zijn hele kruiwagen vol!
“Dat paard van me is buitengewoon goed betaald!” zei hij tot zichzelf. Toen hij weer in zijn huis was draaide hij de kruiwagen op de vloer om, zodat al het geld op een grote hoop lag. “Wat zal grote Klaas zich ergeren wanneer hij erachter komt hoe rijk ik ben geworden met mijn ene paard, maar ik zal er niet rond voor uitkomen.”
Toen zond hij een jongen naar grote Klaas om een maat te lenen.
Wat wil hij daarmee? dacht grote Klaas. Hij smeerde wat teer op de bodem, opdat er iets vastplakte van wat gemeten zou worden; en dit gebeurde inderdaad, want toen hij de maat terugkreeg, plakten er nog drie nieuwe zilveren stuivertjes aan.
“Wat?” riep grote Klaas en liep dadelijk naar kleine Klaas: “Waar heb jij al dat geld vandaan?”
“O, dat is voor mijn paardehuid, die ik gisteravond heb verkocht!”
“Dát was goed betaald!” zei grote Klaas. Hij liep vlug naar huis, nam een bijl, sloeg alle vier zijn paarden dood, vilde ze en reed met de huiden naar de stad.
“Huiden, huiden! Wie koopt er huiden?” riep hij door de straten.
Alle leerlooiers en schoenmakers kwamen aanlopen en vroegen wat hij voor die huiden wilde hebben.
“Een schepel geld voor elk!” zei grote Klaas.
“Ben je gek?” zeiden ze allemaal, “denk je dat het geld ons op de rug groeit?”
“Huiden, huiden. Wie koopt er huiden?” riep hij weer, maar tegen ieder die vroeg wat de huiden kostten, zei hij: “Een schepel geld.”
“Hij zet ons voor gek!” zeiden ze allemaal, en toen namen de schoenmakers hun riemen en de leerlooiers hun schootsvellen en ze begonnen op grote Klaas los te slaan.
“Huiden, huiden!” deden ze hem na. “Je vel zal rooie varkens spugen! Uit de stad met hem!” riepen ze, en grote Klaas moest maken dat hij wegkwam, zo’n pak slaag had hij nog nooit gehad.
“Nou!” zei hij toen hij thuiskwam, “dat ga ik kleine Klaas betaald zetten, ik vermoord hem!”
Maar in het huis van kleine Klaas was zijn grootje gestorven; wel had ze altijd lelijk tegen hem gedaan maar hij was toch erg bedroefd; hij nam de dode vrouw en legde haar in zijn warme bed, om te proberen haar weer levend te maken. Daar moest ze de hele nacht blijven liggen en zelf ging hij wel op een stoel zitten slapen: dat had hij meer gedaan.
Terwijl hij daar ’s nachts zat ging de deur open en grote Klaas kwam binnen met zijn bijl. Hij wist best waar kleine Klaas zijn bed was, hij ging er recht op af en sloeg het oude grootje de schedel in, want hij dacht dat het kleine Klaas was.
“Zo!” zei hij, “mij zet je niet meer voor gek!” en hij ging weer naar huis terug. “Wat een gemene kerel toch!” zei kleine Klaas, “daar wilde hij me waarachtig doodslaan. ’t Was goed dat opoe al dood was, anders had hij haar zeker vermoord.”
Nu doste hij de oude grootmoeder op haar zondags uit, hij leende een paard van zijn buurman, spande dit voor de wagen en zette de oude grootmoeder op de achterbank zó, dat ze er niet uit kon vallen wanneer het paard aantrok; daar hield kleine Klaas stil en hij ging de herberg binnen om wat te eten.
De herbergier had véél geld, hij was een beste man, maar ook een driftkop: het was net of hij vol peper en tabak zat.
“Goedemorgen!” zei hij tot kleine Klaas, “jij bent vandaag ook vroeg op je zondags!”
“Ja,” zei kleine Klaas, “ik moet naar de stad met mijn oude grootje, ze zit buiten in de wagen, ik kan haar niet mee naar binnen krijgen. Wil je haar een glas bier brengen? Maar je moet flink hard praten, want ze hoort niet best.”
“Dat zal ik!” zei de herbergier, hij schonk een groot glas bier in en ging ermee naar buiten naar het oude grootje dat in de wagen was neergezet.
“Hier is een glas bier van uw zoon!” zei de herbergier, maar de vrouw zei geen woord en zat doodstil. “Hoor je me niet!” riep de herbergier, zo hard hij kon, “hier is een glas bier van uw zoon!”
En hij riep het nog eens, en nóg eens, maar toen ze zich helemaal niet verroerde werd hij boos en hij wierp haar het glas in het gezicht, zodat het bier over haar neus liep. Zij viel achterover in de wagen, omdat ze maar los was neergezet en niet vastgebonden.
“Kijk nou toch eens!” riep kleine Klaas, hij spring de deur uit en pakte de herbergier bij de lurven! “Nu heb je mijn grootje doodgeslagen! Kijk eens, wat een gat in haar voorhoofd!”
“’t Ging bij ongeluk!” riep de herbergier, handenwringend, “dat heb je nu van mijn drift! Lieve, kleine Klaas, ik geef je een vol schepel geld en ik laat grootje begraven, alsof ’t mijn grootje was, maar houd alsjeblieft je mond, want anders onthoofden ze mij, en dat is afschuwelijk!”
Toen kreeg kleine Klaas een vol schepel geld, en de herbergier begroef het oude grootje alsof ze zijn eigen grootje was.
Toen nu kleine Klaas met al dat geld was thuisgekomen, zond hij onmiddellijk een jongen naar grote Klaas om te vragen of hij niet een maat kon lenen.
“Wát?” zei grote Klaas, “heb ik hem niet doodgeslagen? Daar moet ik zelf eens zien!” en toen ging hij zelf met de maat naar kleine Klaas.
“Nee maar, hoe kom jij aan al dat geld?” vroeg hij en sperde zijn ogen wijd open van verwondering over al dat geld dat er nog was bijgekomen.
“Mijn grootje heb je doodgeslagen en niet mij!” zei kleine Klaas. “Ik heb haar verkocht en een heleboel geld voor haar gekregen!”
“Dat was goed betaald!” zei grote Klaas en spoedde zich naar huis, nam een bijl, sloeg dadelijk zijn oude grootje dood, legde haar in de wagen, reed naar de stad waar de apotheker woonde en vroeg of hij een lijk wilde kopen.
“Wie is ’t en waar heb je ’t vandaan?” vroeg de apotheker.
“Het is mijn grootje!” zei grote Klaas, “ik heb haar voor een schepel geld doodgeslagen!”
“God beware ons!” zei de apotheker, “je praat je mond voorbij! Zeg dat toch aan niemand, ’t kan je je hoofd kosten!” En nu vertelde hij hem precies wat voor een vreselijke misdaad het was die hij gepleegd had en wat een slecht mens hij was en dat hij gestraft behoorde te worden. Grote Klaas schrok toen zo dat hij uit de apotheek in de wagen sprong, de zweep over de paarden legde en naar huis reed. Maar de apotheker en iedereen geloofden, dat hij gek was en men liet hem daarom rijden waarheen hij wilde.
“Dat zal ik je betaald zetten!” zei grote Klaas toen hij buiten op de grote weg was gekomen. “Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!” Zodra hij thuis was nam hij de grootste zak die hij vinden kon. Hij ging naar kleine Klaas en zei: “Nu heb je me weer voor de gek gehouden! Eerst sloeg ik mijn paarden dood en toen mijn oude grootje! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zal me nooit meer voor de gek houden!” En hij pakte kleine Klaas op en stopte hem in de zak, en toen nam hij hem op zijn nek en riep: “Nu ga ik je verdrinken!”
Het was een heel eind lopen naar de rivier en kleine Klaas was niet zo licht. De weg liep vlak langs de kerk, het orgel speelde en de gemeente zong prachtig. Toen zette grote Klaas zijn zak met kleine Klaas vlak bij de kerkdeur en hij dacht, dat het wel goed zou zijn eerst een gezang te gaan horen vóór hij verder ging: kleine Klaas kon toch niet ontsnappen en iedereen was in de kerk; en zo trad hij binnen.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas binnen in de zak; hij draaide en keerde zich, maar het lukte hem niet het touw los te maken; op hetzelfde ogenblik kwam er een oude veedrijver langs, met spierwit haar en een grote knuppel in de hand; hij dreef een kudde stieren en koeien voor zich uit, die tegen de zak aanliepen zodat de zak met Klaas en al omviel.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas, “ik ben nog zo jong en moet nu al naar de hemel!”
“En ik stakker!” zei de veedrijver, “ik ben zo oud en ik mag er nog niet in!”
“Doe de zak open!” riep kleine Klaas, “kruip er in mijn plaats in, dan ga je regelrecht naar de hemel!”
“Dat wil ik allemachtig graag!” zei de veedrijver en hij deed de zak open voor kleine Klaas, die er onmiddellijk uitsprong.
“Wil jij dan op mijn vee passen?” vroeg de oude man en hij kroop nu in de zak, en kleine Klaas bond hem dicht, waarna hij verder ging met alle koeien en stieren.
Kort daarop kwam grote Klaas de kerk uit. Hij nam zijn zak opnieuw op zijn nek en dacht dat hij toch wel wat lichter was geworden: de oude veedrijver was niet half zo zwaar als kleine Klaas! “Wat is hij licht geworden; dat is zeker omdat ik een gezang heb gehoord!” Toen ging hij naar de rivier – die was breed en diep – hij wierp de zak met de oude veedrijver in het water en riep hem na (want hij dacht dat het kleine Klaas was): “Zo, nu kun je me niet meer voor de gek houden!”
En toen ging hij naar huis, maar toen hij op de viersprong kwam ontmoette hij kleine Klaas, die met al zijn vee wegtrok.
“Wat is dat nu?” zei grote Klaas, “heb ik je niet verdronken?”
“Toch wel,” zei kleine Klaas, ‘je hebt me een half uurtje geleden in de rivier geworpen!”
“maar waar heb je dan al dat prachtige vee vandaan?” vroeg grote Klaas.
“Dit is watervee!” zei kleine Klaas, “ik zal je de hele geschiedenis vertellen en ik ben je erg dankbaar dat je me hebt verdronken, nu ben ik er bovenop, ik ben werkelijk rijk, daar kun je van op aan! Ik was zo bang toen ik in de zak zat en de wind gierde om mijn oren toen je me van de brug in ’t koude water wierp. Ik zonk onmiddellijk naar de diepte, maar ik deed me geen pijn want beneden groeit het heerlijkste, zachtste gras. Daar viel ik op neer. Dadelijk ging de zak open en een allerliefst meisje, in ’t wit gekleed en met een groene krans om haar natte haar, nam me bij de hand en zei: “Ben jij daar, kleine Klaas? Hier heb je, om te beginnen, een paar koeien! Een mijl verder staat een hele kudde, die ik je wel wil geven!” Nu zag ik dat de rivier een grote straatweg was voor waterbewoners. Beneden op de bodem liepen en reden ze regelrecht van de zee het land in tot daar, waar de rivier eindigt. Daar waren zulke prachtige bloemen, zulk mals gras, en de vissen die in de rivier zwommen vlogen me om de oren, als hierboven de vogels in de lucht. En een aardige mensen dat ’t daar waren, en een prachtvee dat daar op de wei liep!”
“Maar waarom ben je dan toch weer dadelijk naar boven gegaan, en bij ons teruggekomen?” vroeg grote Klaas. “Dat had ik niet gedaan, wanneer ’t daar zo fijn was!”
“Toch wel,” zei kleine Klaas, “dat is juist heel handig van me! Je hoort toch wel wat ik je zeg: het meisje in de rivier vertelde mij, dat een mijl hogerop, langs de weg – en met de weg bedoelt zij natuurlijk de rivier, want ergens anders kan ze niet komen – er nog een hele kudde vee op mij stond te wachten. Maar ik weet dat de rivier hier en daar grote bochten maakt, ’t is een hele omweg; nee, dan kan ik beter hier aan land gaan en de bocht afsnijden; op die manier spaar ik bijna een halve mijl uit en ik kom vlugger naar mijn watervee!”
“Jij bent een gelukkig mens!” zei grote Klaas, “wat denk je, zou ik ook van dat watervee krijgen als ik op de bodem van de rivier kwam!”
“Vast wel!” zei kleine Klaas, “maar ik kan je niet in de zak naar de rivier dragen, jij bent me te zwaar. Wil je er misschien zelf heen lopen en in de zak kruipen, dan zal ik je er met ’t grootste genoegen ingooien!”
“Heel graag!” zei grote Klaas, “maar krijg ik geen watervee wanneer ik beneden kom, dan kom ik je een pak slaag geven, daar kun je van op aan!”
“Nee, je moet niet zo hard voor me zijn!” En zo liepen ze naar de rivier. Toen het vee, dat dorst had, het water zag, liep het zo hard het kon naar beneden om te drinken.
“Kijk eens, hoe ze zich haasten!” zei kleine Klaas, “ze verlangen ernaar weer beneden op de bodem van de rivier te komen!”
“Ja, maar help mij nu eerst!” vroeg grote Klaas, “want anders krijg je een pak slaag!” En hij kroop in de grote zak, die over de rug van een van de stieren lag.
“Doe er een steen in, want ik ben bang, dat ik anders niet zink!” zei grote Klaas.
“ ’t Gaat zo ook wel!” zei kleine Klaas, maar hij deed toch een grote steen in de zak, bond hem stevig dicht en dag hem een duwtje: plomp! Daar lag grote Klaas in de rivier en zonk onmiddellijk.
“Ik ben bang dat hij het vee niet vindt!” zei kleine Klaas, en wandelde op zijn gemak naar huis met zijn hele bezit.
Er waren in een stad twee mannen die beiden dezelfde naam hadden: beiden heetten ze Klaas, maar de een bezat vier paarden en de ander slechts één. Om hen nu uit elkaar te houden noemde men hem van de vier paarden grote Klaas en hem met maar één paard kleine Klaas. Nu zullen we horen hoe het die twee verging, want het is werkelijk gebeurd!
De hele week door moest kleine Klaas ploegen voor grote Klaas en hem zijn enig paard lenen; dan hielp grote Klaas hem op zijn beurt met alle vier zijn dieren, maar slechts één keer in de week, en dat was op zondag. Heisa! Wat klapte die kleine Klaas met zijn zweep over de vijf paarden. Zij waren immers zo goed als van hem die éne dag. De zon scheen zo heerlijk en alle klokken in de kerktoren riepen de mensen naar de kerk; zij waren netjes aangekleed en gingen met het gezangboek onder de arm de dominee horen preken en keken naar kleine Klaas, die met vijf paarden ploegde en zo in zijn sas was dat hij opnieuw met de zweep klapte en riep: “Hop, paarden van me!”
“Dat mag je niet zeggen!” zei grote Klaas, “dat ene paard is toch alleen van jou!”
Maar toen er weer opnieuw iemand voorbijging naar de kerk, vergat kleine Klaas dat hij dat niet zeggen mocht en riep: “Hop, paarden van me!”
“Nu moet ’t uit zijn, alsjeblieft,” zei grote Klaas, “want als je dat nog eens een keer zegt, dan zal ik jouw paard een dreun op zijn kop geven dat ie dood neervalt! Dan is ’t met hem gedaan!”
“Ik zal ’t heus niet meer zeggen!” zei kleine Klaas, maar toen er weer mensen voorbijkwamen en goedendag knikten, werd hij zó vrolijk en vond hij het zó flink staan dat hij met vijf paarde zijn akker ploegde, dat hij met de zweep klapte en riep: “Hop, paarden van me!”
“Ik zal je paarden hoppen!” zei grote Klaas, hij nam een knots en sloeg kleine Klaas zijn enig paard op zijn kop, zodat het morsdood neerviel.
“Ach jé, nu heb ik helemaal geen paarden meer!” zei kleine Klaas, en hij begon te huilen.
Daarna vilde hij het paard, hij nam de huid, liet die goed in de wind drogen. Toen stopte hij het vel in een zak die hij op zijn nek nam en hij ging op weg naar de stad om het te verkopen.
Het was een heel eind lopen en hij moest door een groot, donker bos. Het werd verschrikkelijk slecht weer, hij verdwaalde en voor hij weer op de goede weg kwam was het avond en toen was de stad te ver om nog vóór de nacht binnen te zijn.
Dicht bij de weg lag een grote hoeve, de luiken waren gesloten maar het licht scheen aan de bovenkant door de kieren. Daar zal ik wel mogen overnachten, dacht kleine Klaas en hij ging erheen om aan te kloppen.
De boerin deed open, maar toen ze hoorde wat hij wilde zei ze dat hij weg moest gaan, haar man was niet thuis en zij liet niemand binnen.
“Nou, dan mag ik zeker wel buiten liggen,” zei kleine Klaas, en de boerin deed de deur voor zijn neus dicht.
Dichtbij stond een grote hooiberg en tussen de hooiberg en het huis stond een kleine schuur met een plat strodak.
“Daar kan ik bovenop liggen!” zei kleine Klaas toen hij het dak zag, “dat is een heerlijk bed, de ooievaar zal wel niet naar beneden komen en me in mijn benen bijten.” Er stond namelijk een levende ooievaar op het dak, die daar zijn nest had.
Nu kroop kleine Klaas boven op de schuur, maar hij kon niet dadelijk zijn draai vinden. De houten luiken voor de vensters sloten aan de bovenkant niet af, zodat hij in de kamer kon kijken.
Daar was een grote tafel gedekt, met wijn en gebraad erop en heerlijke vis; de boerin en de koster zaten aan tafel, alleen met hun beiden; zij schonk wijn voor hem en hij werkte de vis naar binnen, want daar was hij dol op.
“Dat zou ik ook wel lusten!” zei kleine Klaas en hij keek door het venster de kamer binnen. Lieve hemel, nu zag hij de heerlijke taart pas goed! Was me dat een feesteten! Nu hoorde hij dat er iemand op de grote weg kwam aanrijden: het was de man van de boerin, die thuiskwam.
Het was zeker een heel beste man, maar hij leed aan de vreemde kwaal dat hij geen kosters kon zien; kreeg hij een koster onder ogen dan werd hij razend. De koster was dan ook op bezoek, omdat hij wist dat de man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem het beste voor dat ze had. Toen ze de man thuis hoorden komen schrokken ze zó dat de boerin de koster vroeg in een grote, lege kist te kruipen, die in de hoek stond; dat deed hij dan ook omdat hij wist, dat die arme man nu eenmaal geen kosters kon uitstaan. De vrouw borg al het heerlijke eten en de wijn in haar oven, want als de man dát zag had hij zeker gevraagd wat dat moest betekenen.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas daar boven op het schuurtje, toen hij al het eten zag verdwijnen.
“Zit daar iemand boven op?” vroeg de boer en hij keek naar kleine Klaas. “Wat die je daar? Kom liever mee naar binnen!”
Toen verteld kleine Klaas hoe hij was verdwaald en hij vroeg of hij daar mocht overnachten.
“Best, hoor!” zei de boer, “maar eerste moeten we zien dat we wat te bikken krijgen.”
De vrouw ontving hen allebei heel vriendelijk, dekte een lange tafel en zette hun een grote schaal met gort voor. De boer had honger en at er met smaak van, maar kleine Klaas moest de hele tijd denken aan dat verrukkelijke gebraad en de vis en de taart, hij wist dat het in de oven stond.
Onder de tafel aan zijn voeten lag de zak met de paardehuid erin, want zoals wij weten was hij met het paardevel van huis gegaan om het in de stad te verkopen. Hij vond de gort helemaal niet lekker en toen trapte hij op zijn zak en de droge huid piepte luid.
“Stil,” zei kleine Klaas tegen de zak, maar hij trapte er meteen weer op en toen piepte het droge vel nog harder.
“Nee maar, wat heb je daar in die zak?” vroeg de boer.
“O, dat is een kaboutertje!” zei kleine Klaas, “hij zegt dat we geen gort moeten eten, hij heeft de hele oven vol gebraad en vis en taart getoverd.”
“Wát!” zei de boer en hij opende vlug de oven en zag daar al het heerlijke eten dat de vrouw daar had opgeborgen, maar hij geloofde dat het kaboutertje in de zak het voor hen had getoverd. De vrouw durfde niets te zeggen maar zette het eten dadelijk op tafel; en toen aten zij van de vis, het gebraad en de taart. Nu trapte kleine Klaas opnieuw op de zak, zodat de huid piepte.
“Wat zegt hij nu?” vroeg de boer.
“Hij zegt,” zei kleine Klaas, “dat hij nog drie flessen wijn voor ons getoverd heeft; die staan daar bij de oven in de hoek!” Nu moest de vrouw de wijn voor den dag halen die ze had verstopt, en de boer dronk en werd vrolijk: zo’n kaboutertje als kleine Klaas in zijn zak had wilde hij zelf allemachtig graag hebben.
“Kun je ook de duivel te voorschijn toveren?” vroeg de boer, “die zou ik weleens graag willen zien, ik ben nu in een vrolijke bui!”
“Ja,” zei kleine Klaas, “mijn kaboutertje kan alles wat ik van hem verlang. Nietwaar?” en hij trapte op de zak dat het piepte. “Kun je horen dat hij ja zegt? Maar de duivel ziet er zo gemeen uit, het is maar beter dat je hem niet ziet!”
“O, maar ik ben helemaal niet bang! Hoe zou hij er wel uitzien?”
“Ja, je zult zien dat hij precies een koster is!”
“Hu,” zei de boer, “wat een gemeen smoel zal dát zijn! Je moet weten kosters kan ik niet luchten of zien. Maar dat doet er nu niet toe, ik weet immers dat het de duivel is, en dan kan ik het beter hebben! Ik durf best! Maar hij moet toch niet al te dicht bij me komen!”
“Nu, zal ik mijn kaboutertje eens vragen!” zei kleine Klaas, hij trapte op de zak en luisterde.
“Wat zegt hij?”
“Hij zegt:jullie moeten de kist openmaken die daar in de hoek staat, en dan zie je de duivel eruit koekeloeren, maar je moet het deksel goed vasthouden, dat hij niet ontsnapt.”
“Wil je me helpen vasthouden!” zei de boer en hij ging naar de kist, waar de vrouw de echte koster ingestopt had en die erg in angst zat.
De boer tilde het deksel een eindje op en keek eronder: “Hu!” schreeuwde hij en hij sprong terug, “Waarachtig, ik zag hem, hij was net onze koster! Nee maar, ’t was vreselijk!”
Daar moest op gedronken worden, en toen dronken zij verder tot diep in de nacht. “Die kabouter moet je me verkopen!” zei de boer, “vraag maar voor hem wat je wilt! Ik geef je er dadelijk een hele bom geld voor!”
“Nee, dat kan ik niet!” zei kleine Klaas, “bedenk eens wat een plezier ik van zo’n kaboutertje hebben kan!”
“Ach, ik zou hem zo drommels graag hebben!” zei de boer en hij bleef maar smeken. “Ja,” zei kleine Klaas, “omdat jij zo vriendelijk bent geweest mij vannacht onderdak te geven zal ik het maar doen. Jij kunt ’t kaboutertje krijgen voor een schepel geld, maar dan moet het schepel ook boordevol zijn.”
“Dat kun je krijgen,” zei de boer, “maar die kust daar moet je meenemen, die wil ik geen uur langer in mijn huis hebben, je kunt nooit weten of hij er nog niet in zit.”
Kleine Klaas gaf de boer de zak met het paardevel erin en kreeg er een heel schepel geld voor, de boer schonk hem ook nog een grote kruiwagen om het geld weg te rijden en bovendien de kist.
“Vaarwel!” zei kleine Klaas en hij reed weg met het geld en de kist, waarin de koster nog zat.
Aan de andere kant van het bos was er een grote, diepe rivier, het water stroomde zo snel dat je er nauwelijks tegen op zou kunnen zwammen; er lag een grote, nieuwe brug over. Kleine Klaas hield midden op de brug stil en zei luid, opdat de koster in de kist het goed hoorde: “Wat moet ik toch met die gekke kist beginnen! Dat ding is zo zwaar alsof er stenen in zitten. Het gaat me vervelen zo nog verder te rijden, ik gooi haar maar in de rivier, drijft ze naar mijn huis toe, best, en zo niet, dan kan ’t me ook niet schelen!”
Hij pakte met de ene hand de kist beet en tilde jaar een eindje in de hoogte, alsof hij haar in het water wilde gooien.
“Houd op,” riep de koster binnen in de kist, “laat me eruit.”
“Hu!” zei kleine Klaas die deed of hij bang was. “Hij zit er nog in! Dan moet hij dadelijk de rivier in, dan kan hij verdrinken!”
“Nee, nee! Riep de koster, “ik geef je een schepel geld, als je ’t niet doet!”
“Dat is wat anders!” zei kleine Klaas en hij maakte de kist open. De koster kroop er dadelijk uit hij duwde de lege kist in het water en ging naar zijn huis, waar kleine Klaas een schepel geld kreeg; hij had er eerst een van de boer gekregen, nú had hij zijn hele kruiwagen vol!
“Dat paard van me is buitengewoon goed betaald!” zei hij tot zichzelf. Toen hij weer in zijn huis was draaide hij de kruiwagen op de vloer om, zodat al het geld op een grote hoop lag. “Wat zal grote Klaas zich ergeren wanneer hij erachter komt hoe rijk ik ben geworden met mijn ene paard, maar ik zal er niet rond voor uitkomen.”
Toen zond hij een jongen naar grote Klaas om een maat te lenen.
Wat wil hij daarmee? dacht grote Klaas. Hij smeerde wat teer op de bodem, opdat er iets vastplakte van wat gemeten zou worden; en dit gebeurde inderdaad, want toen hij de maat terugkreeg, plakten er nog drie nieuwe zilveren stuivertjes aan.
“Wat?” riep grote Klaas en liep dadelijk naar kleine Klaas: “Waar heb jij al dat geld vandaan?”
“O, dat is voor mijn paardehuid, die ik gisteravond heb verkocht!”
“Dát was goed betaald!” zei grote Klaas. Hij liep vlug naar huis, nam een bijl, sloeg alle vier zijn paarden dood, vilde ze en reed met de huiden naar de stad.
“Huiden, huiden! Wie koopt er huiden?” riep hij door de straten.
Alle leerlooiers en schoenmakers kwamen aanlopen en vroegen wat hij voor die huiden wilde hebben.
“Een schepel geld voor elk!” zei grote Klaas.
“Ben je gek?” zeiden ze allemaal, “denk je dat het geld ons op de rug groeit?”
“Huiden, huiden. Wie koopt er huiden?” riep hij weer, maar tegen ieder die vroeg wat de huiden kostten, zei hij: “Een schepel geld.”
“Hij zet ons voor gek!” zeiden ze allemaal, en toen namen de schoenmakers hun riemen en de leerlooiers hun schootsvellen en ze begonnen op grote Klaas los te slaan.
“Huiden, huiden!” deden ze hem na. “Je vel zal rooie varkens spugen! Uit de stad met hem!” riepen ze, en grote Klaas moest maken dat hij wegkwam, zo’n pak slaag had hij nog nooit gehad.
“Nou!” zei hij toen hij thuiskwam, “dat ga ik kleine Klaas betaald zetten, ik vermoord hem!”
Maar in het huis van kleine Klaas was zijn grootje gestorven; wel had ze altijd lelijk tegen hem gedaan maar hij was toch erg bedroefd; hij nam de dode vrouw en legde haar in zijn warme bed, om te proberen haar weer levend te maken. Daar moest ze de hele nacht blijven liggen en zelf ging hij wel op een stoel zitten slapen: dat had hij meer gedaan.
Terwijl hij daar ’s nachts zat ging de deur open en grote Klaas kwam binnen met zijn bijl. Hij wist best waar kleine Klaas zijn bed was, hij ging er recht op af en sloeg het oude grootje de schedel in, want hij dacht dat het kleine Klaas was.
“Zo!” zei hij, “mij zet je niet meer voor gek!” en hij ging weer naar huis terug. “Wat een gemene kerel toch!” zei kleine Klaas, “daar wilde hij me waarachtig doodslaan. ’t Was goed dat opoe al dood was, anders had hij haar zeker vermoord.”
Nu doste hij de oude grootmoeder op haar zondags uit, hij leende een paard van zijn buurman, spande dit voor de wagen en zette de oude grootmoeder op de achterbank zó, dat ze er niet uit kon vallen wanneer het paard aantrok; daar hield kleine Klaas stil en hij ging de herberg binnen om wat te eten.
De herbergier had véél geld, hij was een beste man, maar ook een driftkop: het was net of hij vol peper en tabak zat.
“Goedemorgen!” zei hij tot kleine Klaas, “jij bent vandaag ook vroeg op je zondags!”
“Ja,” zei kleine Klaas, “ik moet naar de stad met mijn oude grootje, ze zit buiten in de wagen, ik kan haar niet mee naar binnen krijgen. Wil je haar een glas bier brengen? Maar je moet flink hard praten, want ze hoort niet best.”
“Dat zal ik!” zei de herbergier, hij schonk een groot glas bier in en ging ermee naar buiten naar het oude grootje dat in de wagen was neergezet.
“Hier is een glas bier van uw zoon!” zei de herbergier, maar de vrouw zei geen woord en zat doodstil. “Hoor je me niet!” riep de herbergier, zo hard hij kon, “hier is een glas bier van uw zoon!”
En hij riep het nog eens, en nóg eens, maar toen ze zich helemaal niet verroerde werd hij boos en hij wierp haar het glas in het gezicht, zodat het bier over haar neus liep. Zij viel achterover in de wagen, omdat ze maar los was neergezet en niet vastgebonden.
“Kijk nou toch eens!” riep kleine Klaas, hij spring de deur uit en pakte de herbergier bij de lurven! “Nu heb je mijn grootje doodgeslagen! Kijk eens, wat een gat in haar voorhoofd!”
“’t Ging bij ongeluk!” riep de herbergier, handenwringend, “dat heb je nu van mijn drift! Lieve, kleine Klaas, ik geef je een vol schepel geld en ik laat grootje begraven, alsof ’t mijn grootje was, maar houd alsjeblieft je mond, want anders onthoofden ze mij, en dat is afschuwelijk!”
Toen kreeg kleine Klaas een vol schepel geld, en de herbergier begroef het oude grootje alsof ze zijn eigen grootje was.
Toen nu kleine Klaas met al dat geld was thuisgekomen, zond hij onmiddellijk een jongen naar grote Klaas om te vragen of hij niet een maat kon lenen.
“Wát?” zei grote Klaas, “heb ik hem niet doodgeslagen? Daar moet ik zelf eens zien!” en toen ging hij zelf met de maat naar kleine Klaas.
“Nee maar, hoe kom jij aan al dat geld?” vroeg hij en sperde zijn ogen wijd open van verwondering over al dat geld dat er nog was bijgekomen.
“Mijn grootje heb je doodgeslagen en niet mij!” zei kleine Klaas. “Ik heb haar verkocht en een heleboel geld voor haar gekregen!”
“Dat was goed betaald!” zei grote Klaas en spoedde zich naar huis, nam een bijl, sloeg dadelijk zijn oude grootje dood, legde haar in de wagen, reed naar de stad waar de apotheker woonde en vroeg of hij een lijk wilde kopen.
“Wie is ’t en waar heb je ’t vandaan?” vroeg de apotheker.
“Het is mijn grootje!” zei grote Klaas, “ik heb haar voor een schepel geld doodgeslagen!”
“God beware ons!” zei de apotheker, “je praat je mond voorbij! Zeg dat toch aan niemand, ’t kan je je hoofd kosten!” En nu vertelde hij hem precies wat voor een vreselijke misdaad het was die hij gepleegd had en wat een slecht mens hij was en dat hij gestraft behoorde te worden. Grote Klaas schrok toen zo dat hij uit de apotheek in de wagen sprong, de zweep over de paarden legde en naar huis reed. Maar de apotheker en iedereen geloofden, dat hij gek was en men liet hem daarom rijden waarheen hij wilde.
“Dat zal ik je betaald zetten!” zei grote Klaas toen hij buiten op de grote weg was gekomen. “Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!” Zodra hij thuis was nam hij de grootste zak die hij vinden kon. Hij ging naar kleine Klaas en zei: “Nu heb je me weer voor de gek gehouden! Eerst sloeg ik mijn paarden dood en toen mijn oude grootje! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zal me nooit meer voor de gek houden!” En hij pakte kleine Klaas op en stopte hem in de zak, en toen nam hij hem op zijn nek en riep: “Nu ga ik je verdrinken!”
Het was een heel eind lopen naar de rivier en kleine Klaas was niet zo licht. De weg liep vlak langs de kerk, het orgel speelde en de gemeente zong prachtig. Toen zette grote Klaas zijn zak met kleine Klaas vlak bij de kerkdeur en hij dacht, dat het wel goed zou zijn eerst een gezang te gaan horen vóór hij verder ging: kleine Klaas kon toch niet ontsnappen en iedereen was in de kerk; en zo trad hij binnen.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas binnen in de zak; hij draaide en keerde zich, maar het lukte hem niet het touw los te maken; op hetzelfde ogenblik kwam er een oude veedrijver langs, met spierwit haar en een grote knuppel in de hand; hij dreef een kudde stieren en koeien voor zich uit, die tegen de zak aanliepen zodat de zak met Klaas en al omviel.
“Ach, ach,” zuchtte kleine Klaas, “ik ben nog zo jong en moet nu al naar de hemel!”
“En ik stakker!” zei de veedrijver, “ik ben zo oud en ik mag er nog niet in!”
“Doe de zak open!” riep kleine Klaas, “kruip er in mijn plaats in, dan ga je regelrecht naar de hemel!”
“Dat wil ik allemachtig graag!” zei de veedrijver en hij deed de zak open voor kleine Klaas, die er onmiddellijk uitsprong.
“Wil jij dan op mijn vee passen?” vroeg de oude man en hij kroop nu in de zak, en kleine Klaas bond hem dicht, waarna hij verder ging met alle koeien en stieren.
Kort daarop kwam grote Klaas de kerk uit. Hij nam zijn zak opnieuw op zijn nek en dacht dat hij toch wel wat lichter was geworden: de oude veedrijver was niet half zo zwaar als kleine Klaas! “Wat is hij licht geworden; dat is zeker omdat ik een gezang heb gehoord!” Toen ging hij naar de rivier – die was breed en diep – hij wierp de zak met de oude veedrijver in het water en riep hem na (want hij dacht dat het kleine Klaas was): “Zo, nu kun je me niet meer voor de gek houden!”
En toen ging hij naar huis, maar toen hij op de viersprong kwam ontmoette hij kleine Klaas, die met al zijn vee wegtrok.
“Wat is dat nu?” zei grote Klaas, “heb ik je niet verdronken?”
“Toch wel,” zei kleine Klaas, ‘je hebt me een half uurtje geleden in de rivier geworpen!”
“maar waar heb je dan al dat prachtige vee vandaan?” vroeg grote Klaas.
“Dit is watervee!” zei kleine Klaas, “ik zal je de hele geschiedenis vertellen en ik ben je erg dankbaar dat je me hebt verdronken, nu ben ik er bovenop, ik ben werkelijk rijk, daar kun je van op aan! Ik was zo bang toen ik in de zak zat en de wind gierde om mijn oren toen je me van de brug in ’t koude water wierp. Ik zonk onmiddellijk naar de diepte, maar ik deed me geen pijn want beneden groeit het heerlijkste, zachtste gras. Daar viel ik op neer. Dadelijk ging de zak open en een allerliefst meisje, in ’t wit gekleed en met een groene krans om haar natte haar, nam me bij de hand en zei: “Ben jij daar, kleine Klaas? Hier heb je, om te beginnen, een paar koeien! Een mijl verder staat een hele kudde, die ik je wel wil geven!” Nu zag ik dat de rivier een grote straatweg was voor waterbewoners. Beneden op de bodem liepen en reden ze regelrecht van de zee het land in tot daar, waar de rivier eindigt. Daar waren zulke prachtige bloemen, zulk mals gras, en de vissen die in de rivier zwommen vlogen me om de oren, als hierboven de vogels in de lucht. En een aardige mensen dat ’t daar waren, en een prachtvee dat daar op de wei liep!”
“Maar waarom ben je dan toch weer dadelijk naar boven gegaan, en bij ons teruggekomen?” vroeg grote Klaas. “Dat had ik niet gedaan, wanneer ’t daar zo fijn was!”
“Toch wel,” zei kleine Klaas, “dat is juist heel handig van me! Je hoort toch wel wat ik je zeg: het meisje in de rivier vertelde mij, dat een mijl hogerop, langs de weg – en met de weg bedoelt zij natuurlijk de rivier, want ergens anders kan ze niet komen – er nog een hele kudde vee op mij stond te wachten. Maar ik weet dat de rivier hier en daar grote bochten maakt, ’t is een hele omweg; nee, dan kan ik beter hier aan land gaan en de bocht afsnijden; op die manier spaar ik bijna een halve mijl uit en ik kom vlugger naar mijn watervee!”
“Jij bent een gelukkig mens!” zei grote Klaas, “wat denk je, zou ik ook van dat watervee krijgen als ik op de bodem van de rivier kwam!”
“Vast wel!” zei kleine Klaas, “maar ik kan je niet in de zak naar de rivier dragen, jij bent me te zwaar. Wil je er misschien zelf heen lopen en in de zak kruipen, dan zal ik je er met ’t grootste genoegen ingooien!”
“Heel graag!” zei grote Klaas, “maar krijg ik geen watervee wanneer ik beneden kom, dan kom ik je een pak slaag geven, daar kun je van op aan!”
“Nee, je moet niet zo hard voor me zijn!” En zo liepen ze naar de rivier. Toen het vee, dat dorst had, het water zag, liep het zo hard het kon naar beneden om te drinken.
“Kijk eens, hoe ze zich haasten!” zei kleine Klaas, “ze verlangen ernaar weer beneden op de bodem van de rivier te komen!”
“Ja, maar help mij nu eerst!” vroeg grote Klaas, “want anders krijg je een pak slaag!” En hij kroop in de grote zak, die over de rug van een van de stieren lag.
“Doe er een steen in, want ik ben bang, dat ik anders niet zink!” zei grote Klaas.
“ ’t Gaat zo ook wel!” zei kleine Klaas, maar hij deed toch een grote steen in de zak, bond hem stevig dicht en dag hem een duwtje: plomp! Daar lag grote Klaas in de rivier en zonk onmiddellijk.
“Ik ben bang dat hij het vee niet vindt!” zei kleine Klaas, en wandelde op zijn gemak naar huis met zijn hele bezit.
Onderwerp
AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   
ATU 1535 - The Rich and the Poor Farmer.   
Beschrijving
Kleine (arme) Klaas weet door het voor de gek houden van mensen rijk te worden. Grote (rijke) Klaas wordt jaloers en hebzuchtig en probeert hetzelfde, maar bij hem loopt het echter steeds mis.
Bron
Hans Christian Andersen: Sprookjes en vertellingen. Bussum 1975, p. 63-70.
Commentaar
Oorspronkelijke titel: Lille Claus og store Claus.
Naam Overig in Tekst
Grote Klaas   
Kleine Klaas   
God   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
