Hoofdtekst
De man zonder hoofd
Aan den voet van rotsige grauwe heuvels, in den zomer getooid met een bonten schat van wilde bloemen en weelderig struikgewas, ligt, te midden van looverrijk geboomte, het gehucht Stockheim.
Hier had iemand uit Berg zaken te doen gehad en was er blijven hangen tot het vallen van den avond. Hij kon er echter niet blijven overnachten, want men verwachte hem thuis en zijn vrouw zou zich erg ongerust maken als hij uitbleef. Dus moest hij weg, hoezeer hem in de herberg, waar hij een glas bier dronk, door eenigen daar aanwezigen afgeraden werd zich nog zoo laat op stap te begeven. Omslachtig vertelde één hunner hem van den man zonder kop die in de buurt rondspookte bij nacht.
“Jullie met je dwaasheid”, verweerde hij zich spottend tegen de drinkebroers, “als hij geen kop heeft, kan hij mij ook niet bijten.” En hij dronk nog een glas bier en ging dan welgemoed in de richting van het veer.
Spoedig had hij het kasteel bereikt, waarvan de dikke toren met hooge spits zich afteekende tegen de lucht, terwijl de grauwe muren van donkeren steen, die reeds eeuwen trotseerden, somber opdoken in het nog niet verdichte duister. Zij droomden van dagen van strijd en veeten, toen de streek daar getuige was van twisten en strooptochten, waarbij ruwe krijgsbenden plunderden en roofden naar hartelust. Aan den voet der wallen lag in den stroom de veerpont, het eenige middel om de rivier over te steken. Onheilspellend ruischte het golvende water met kletsend geklater tegen den oever.
“Ik wou nog over”, zei de reiziger tot den veerman, die buiten stond een pijp te rooken.
“Nog over?” vroeg deze verwonderd.
“Ja, waarom niet? Ik word vanavond nog thuis verwacht en je zult toch niet van me verlangen, dat ik hier overzwem”, hernam de reiziger lachend.
“’t Is anders ruim laat om de schouw nog over te stuwen, en niet zonder gevaar ook,” antwoordde de veerman, terwijl hij bedenkelijk de wenkbrauwen fronste. “je weet toch zeker wel van den man zonder kop, die ginds rondgaat?”
“Of ik! Maar die zal mij geen kwaad doen.”
“Hij heeft er anders al heel wat koud gemaakt. Ik zou er mijn hachje niet aan wagen.”
“Och kom, ouwe-wijvenpraat van vroeger tijd! Vaar me over! Ik betaal je dubbel, want ik moet vanavond thuis zijn.”
“Als je het eischt, moet ik mijn plicht doen,” zwichtte de veerman. “Maar nog eens: ik raad het je beslist af en de gevolgen heb je aan je zelf te wijten.”
“Accoord! Ik heb wel voor andere akkefietjes gestaan.”
Beiden gingen in de boot, en die stak den stroom over.
Toen de veerman zijn metgezel aan den anderen oever had afgezet, keerde hij aanstonds hem den rug toe en haastte zich zijn schuit veilig terug te brengen, terwijl hij zich kruiste en eenige schietgebeden mompelde.
“Hoe dat afloopt, zal me benieuwen,” praatte hij bij zichzelf nog, de deur zijner woning zorgvuldig achter zich sluitend.
Inmiddels had onze reiziger aan genen kant der rivier met vluggen stap zijn weg vervolgd zonder eenigen hinder te ondervinden. Hij dacht trouwens ook aan geen avontuur. Welgemoed toog hij verder, blij dat de veerman ten slotte gezwicht was voor zijn verzoek en hem zoo de mogelijkheid openstond nog thuis te komen. Hij floot een bekend volkswijsje om zich de verveling van het lijf te houden, en zoo vorderde hij ongemerkt vlug tot hij het laatste bosch.
Maar opeens ziet hij naast zich een reusachtige gedaante voortschrijden, die gelijken tred met hem houdt.
Hij staat even stil.
De vreemde gestalte ook.
Zijn schaduwbeeld kan het toch niet zijn?
Maar wat dan?
Schuw gluurt hij terzijde. Hij wil om hulp roepen. Maar een ijskoude hand sluit hem den mond.
Wat een geweldige lichaamspostuur!
Zou dat de man zonder hoofd zijn?
Hij wil het weten. Voor spook noch vuurman is hij ooit bang geweest.
Dus bekijkt hij, al zijn moed verzamelend, de gedaante eens nauwkeuriger.
Een ongekende schrik overvalt hem.
Wat een lengte en wat een kolos! Het vreemde wezen was wel vijftien voet lang, en van boven zag hij een paar schouders schaduwen, die wel van een reus konden zijn, zooals die vroeger in de holen der bergen huisden en van den eenen heuvel op den anderen overstapten, ook wel zich vermaakten met elkander geweldige steenhompen toe te werpen bij wijze van keitjes-gooien. Een hoofd zag hij niet. Het was dus werkelijk de man zonder kop, waarvoor men hem gewaarschuwd had. Nog grooter schrik beving hem, toen hij bemerkte, dat de kolossus zich voortbewoog op paardepooten. Wis en zeker was ’t een helsch gedrocht.
De knieën van onzen reiziger knikten bijkans van angst. Hij rilde over al zijne leden. Toch wilde hij zich dapper toonen. Dus vervolgde hij zijn weg.
Het spooksel week echter niet van z’n zijde, doch bleef hem trouw vergezellen. Poosde hij even, dan hield de gedaante ook halt; stapte hij weer voort, de gedaante volgde zijne bewegingen.
Daar schoot hem opeens in den geest, dat het bidden van het St. Jans-evangelie uitkomst gaf bij demonische ontmoetingen en kwellingen. Binnensmonds begon hij aanstonds te prevelen zoo aandachtig mogelijk, en gekomen aan de schoone woorden van het liturgisch gebed: “En het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond,” sprak hij deze eerbiedig luide uit.
Mee dat hij dit deed, steeg een akelig jammergehuil naast hem op, en een vuile reuk drong hem in den neus. Hij keek rond. De spookgestalte was verdwenen.
Aan den voet van rotsige grauwe heuvels, in den zomer getooid met een bonten schat van wilde bloemen en weelderig struikgewas, ligt, te midden van looverrijk geboomte, het gehucht Stockheim.
Hier had iemand uit Berg zaken te doen gehad en was er blijven hangen tot het vallen van den avond. Hij kon er echter niet blijven overnachten, want men verwachte hem thuis en zijn vrouw zou zich erg ongerust maken als hij uitbleef. Dus moest hij weg, hoezeer hem in de herberg, waar hij een glas bier dronk, door eenigen daar aanwezigen afgeraden werd zich nog zoo laat op stap te begeven. Omslachtig vertelde één hunner hem van den man zonder kop die in de buurt rondspookte bij nacht.
“Jullie met je dwaasheid”, verweerde hij zich spottend tegen de drinkebroers, “als hij geen kop heeft, kan hij mij ook niet bijten.” En hij dronk nog een glas bier en ging dan welgemoed in de richting van het veer.
Spoedig had hij het kasteel bereikt, waarvan de dikke toren met hooge spits zich afteekende tegen de lucht, terwijl de grauwe muren van donkeren steen, die reeds eeuwen trotseerden, somber opdoken in het nog niet verdichte duister. Zij droomden van dagen van strijd en veeten, toen de streek daar getuige was van twisten en strooptochten, waarbij ruwe krijgsbenden plunderden en roofden naar hartelust. Aan den voet der wallen lag in den stroom de veerpont, het eenige middel om de rivier over te steken. Onheilspellend ruischte het golvende water met kletsend geklater tegen den oever.
“Ik wou nog over”, zei de reiziger tot den veerman, die buiten stond een pijp te rooken.
“Nog over?” vroeg deze verwonderd.
“Ja, waarom niet? Ik word vanavond nog thuis verwacht en je zult toch niet van me verlangen, dat ik hier overzwem”, hernam de reiziger lachend.
“’t Is anders ruim laat om de schouw nog over te stuwen, en niet zonder gevaar ook,” antwoordde de veerman, terwijl hij bedenkelijk de wenkbrauwen fronste. “je weet toch zeker wel van den man zonder kop, die ginds rondgaat?”
“Of ik! Maar die zal mij geen kwaad doen.”
“Hij heeft er anders al heel wat koud gemaakt. Ik zou er mijn hachje niet aan wagen.”
“Och kom, ouwe-wijvenpraat van vroeger tijd! Vaar me over! Ik betaal je dubbel, want ik moet vanavond thuis zijn.”
“Als je het eischt, moet ik mijn plicht doen,” zwichtte de veerman. “Maar nog eens: ik raad het je beslist af en de gevolgen heb je aan je zelf te wijten.”
“Accoord! Ik heb wel voor andere akkefietjes gestaan.”
Beiden gingen in de boot, en die stak den stroom over.
Toen de veerman zijn metgezel aan den anderen oever had afgezet, keerde hij aanstonds hem den rug toe en haastte zich zijn schuit veilig terug te brengen, terwijl hij zich kruiste en eenige schietgebeden mompelde.
“Hoe dat afloopt, zal me benieuwen,” praatte hij bij zichzelf nog, de deur zijner woning zorgvuldig achter zich sluitend.
Inmiddels had onze reiziger aan genen kant der rivier met vluggen stap zijn weg vervolgd zonder eenigen hinder te ondervinden. Hij dacht trouwens ook aan geen avontuur. Welgemoed toog hij verder, blij dat de veerman ten slotte gezwicht was voor zijn verzoek en hem zoo de mogelijkheid openstond nog thuis te komen. Hij floot een bekend volkswijsje om zich de verveling van het lijf te houden, en zoo vorderde hij ongemerkt vlug tot hij het laatste bosch.
Maar opeens ziet hij naast zich een reusachtige gedaante voortschrijden, die gelijken tred met hem houdt.
Hij staat even stil.
De vreemde gestalte ook.
Zijn schaduwbeeld kan het toch niet zijn?
Maar wat dan?
Schuw gluurt hij terzijde. Hij wil om hulp roepen. Maar een ijskoude hand sluit hem den mond.
Wat een geweldige lichaamspostuur!
Zou dat de man zonder hoofd zijn?
Hij wil het weten. Voor spook noch vuurman is hij ooit bang geweest.
Dus bekijkt hij, al zijn moed verzamelend, de gedaante eens nauwkeuriger.
Een ongekende schrik overvalt hem.
Wat een lengte en wat een kolos! Het vreemde wezen was wel vijftien voet lang, en van boven zag hij een paar schouders schaduwen, die wel van een reus konden zijn, zooals die vroeger in de holen der bergen huisden en van den eenen heuvel op den anderen overstapten, ook wel zich vermaakten met elkander geweldige steenhompen toe te werpen bij wijze van keitjes-gooien. Een hoofd zag hij niet. Het was dus werkelijk de man zonder kop, waarvoor men hem gewaarschuwd had. Nog grooter schrik beving hem, toen hij bemerkte, dat de kolossus zich voortbewoog op paardepooten. Wis en zeker was ’t een helsch gedrocht.
De knieën van onzen reiziger knikten bijkans van angst. Hij rilde over al zijne leden. Toch wilde hij zich dapper toonen. Dus vervolgde hij zijn weg.
Het spooksel week echter niet van z’n zijde, doch bleef hem trouw vergezellen. Poosde hij even, dan hield de gedaante ook halt; stapte hij weer voort, de gedaante volgde zijne bewegingen.
Daar schoot hem opeens in den geest, dat het bidden van het St. Jans-evangelie uitkomst gaf bij demonische ontmoetingen en kwellingen. Binnensmonds begon hij aanstonds te prevelen zoo aandachtig mogelijk, en gekomen aan de schoone woorden van het liturgisch gebed: “En het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond,” sprak hij deze eerbiedig luide uit.
Mee dat hij dit deed, steeg een akelig jammergehuil naast hem op, en een vuile reuk drong hem in den neus. Hij keek rond. De spookgestalte was verdwenen.
Beschrijving
Een reiziger slaat waarschuwingen voor een ronddolende man zonder hoofd in de wind. Opeens ziet hij een enorme gedaante naast zich die hem blijft vergezellen. Bij het bidden van het evangelie van St. Jan verdwijnt de de spookgestalte.
Bron
J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 93-98.
Commentaar
1923
De tweede verteller is Kleijntjens, J.
Naam Overig in Tekst
Stokkem   
Berg   
St. Jans-evangelie   
Woord   
Naam Locatie in Tekst
Stockheim   
Plaats van Handelen
Stokkem (BeLb)   
Kloekenummer in tekst
L423p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
