Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LIMB0013 - Van St. Gerlachus te Houthem

Een sage (boek), 1923

Hoofdtekst

Van St. Gerlachus te Houthem
Midden in het door zijn natuurschoon zoo aantrekkelijke dorp Houthem bij Valkenburg stond eertijds de beroemde abdij van St. Gerlach. Evenals zoovele kloosterinrichtingen is ook dit covent in Franschen tijd verdwenen. Het bewaarde de herinnering aan den heiligen Gerlachus, ridder en later kluizenaar, die er leefde als wereldling en stierf als boetvaardig zondaar.
Gerlach of Geerling werd in de buurt van Maastricht geboren uit een rijk en aanzienlijk geslacht. Opgeleid voor den krijgshandel naar de gewoonte van dien tijd, onderscheidde hij zich spoedig door zijn dapperheid en onversaagdheid. Bogend op zijn lichaamskracht en begunstigd door de fortuin, lachte de wereld hem aan met hare genietingen, waarvan hij in ruime mate profiteerde, tot in het zondige en ongeoorloofde zelfs. Aangetrokken door zingenot, roemzucht en de verwerving van grooten rijkdom, liet hij zich weinig gelegen liggen aan zijn zieleheil, slechts erop bedacht zich te onderscheiden op de toernooien, eer te oogsten en tijdelijk gewin te bejagen.
Omstreeks het jaar 1145 riep de graaf van Gulik den adel van Brabant en Kempenland, uit Maas- en Rijngouw, samen tot een steekspel. Wie de wapenen hanteeren kon, maakte zich gereed om daaraan deel te nemen. Zoo ook Gerlach. Prachtiger gelegenheid om zich te onderscheiden kon zich niet voordoen.
Hij begaf zich naar het slot van Valkenburg, waar Jacoba woonde, de door hem beminde jonkvrouw, wier liefde hem de grootste gevaren deed trotseeren. Zij strikte hem dan ook haar zijden sluier, met de kleuren van Valkenburg, over het zware pantser, en hij zwoer haar eer te zullen hooghouden voor de wereld.
Omstuwd door een groote schare dienstmannen en edelknapen, reed hij in schitterende wapenuitrusting op zijn brieschend ros den hoogen slotberg af, om zich over Klimmen, Heerlen en Rimburg naar de stad Gulik te begeven, waar het toernooi zou gehouden worden. Vanaf de tinnen van het vaderlijk kasteel blikte Jacoba haar ridder na, zoolang zij kon, het hart popelend van liefde en onrust. Nu en dan keek Gerlach in de richting van het sterke slot, dat de heele omgeving beheerschte met zijne torens en hechte muren. Het handgewuif zijner geliefde vervulde hem met trots en blakende krijgsdrift. Hij zou zegevieren of sterven, maar in geen geval onderdoen voor wien ook.
Vertrouwend op zijn lichamelijke kracht en behendigheid, reed hij voort door het bloeiende landschap, vroolijk en opgeruimd, zich bewust van zijn waardigheid en bedrevenheid in den krijgshandel, waarvan hij spoedig de treffendste proeven zou kunnen geven. De zomerzon schitterde over de velden en speelde met haar zilvergloed over boomen en struikgewas, glans en schaduw tooverend op de wegen en paden, waarlangs van alle kanten stoeten zich bewogen in de richting van Gulik.
De stad was feestelijk versierd voor de ontvangst der hooge gasten, wier aankomst drukke bedrijvigheid bracht onder de vreedzame bevolking. Nog vóór den avond kwam Gerlach met de zijnen er aan.
Den volgenden morgen begon het toernooi. De belangstelling was uitermate groot, want van de genoodigde edellieden was bijna niemand achtergebleven.
Gerlach reed op zijn steigerend ros het krijt binnen, gereed zich te meten met een der vermaardste baronnen. De gedachte aan Jacoba bezielde hem met ongeloofelijke geestdrift. Haar beeld stond hem helder voor den geest, zooals hij haar voor het laatst gezien had, hem moed insprekend met tintelende oogen en een blos van verrukking op de wangen. Juist wilde hij op zijn tegenstander inrijden, toen een ijlbode uit het land van Valkenburg aankwam met een gewichtige tijding voor hem. Wat kon dat voor nieuws zijn? Het gezicht van den bode verried angst en ontsteltenis. Hij vertelde Gerlach, dat Jacoba, de dochter van zijn heer, met haar koets uitgereden, jammerlijk verongelukte, doordat het rijtuig gekanteld en van de steile helling van den berg naar beneden gestort was.
Zonder naar verdere bijzonderheden van het bodeverhaal te luisteren, begon Gerlach luide te snikken en te schreien als een kind. Troosteloos verliet hij aanstonds de plaats van het spel en den kring der aanzienlijken, onder wie hij geëerd was vanwege zijn persoonlijkheid en zijn rijkdom, en vluchtte heen.

In zichzelf keerend, overdacht hij de ijdelheid en broosheid van het aardsche geluk, dat dikwijls, juist als men het ’t minst verwacht, samenstort als een kaartenhuis, door kinderhand gebouwd. Wat voor waarde had ten slotte wereldsche roem, wat baatte eerbelag! De fortuin bleef grillig en onbetrouwbaar. Veel vriendschap bleek ten slotte gevlei en huichelarij en week onder den druk van nood en verzinking van macht. Hij wilde geheel breken met zijn verleden en zich voortaan uitsluitend wijden aan den dienst van God door gebed en versterving, zijne misslagen en zonden van harte betreurend.
Dus regelde hij de zaken van zijn ouderlijk huis, knielde nog eens op het graf van zijn gestorven geliefde, en vertrok dan als pelgrim, gekleed in een ruw-haren pij en een zwaar ijzeren harnas om het lijf, naar Rome. Hier bezocht hij de kerk der heilige Apostelen en biechtte er rouwmoedig. Paus Eugenius III legde hem als boete voor zijn vele en zware zonden een reis naar Jerusalem op, waar hij zeven jaren moest blijven.
In de heilige stad meldde hij zich in een der gasthuizen aan en verzocht er aangenomen te worden om de hulpbehoevenden en zieken te verplegen. Hij kwam bij de Orde van St. Jan, waar hem gemakkelijk werk werd verschaft, daar men aanstonds bemerkte met een aanzienlijk en vroom man te doen te hebben. Dit was echter Gerlach volstrekt niet naar den zin. Hij wilde niet ontzien worden. Om te boeten voor zijne zonden, wenschte hij, dat het laagste werk hem opgedragen zou worden. Hij kreeg dus de zorg voor het vee in de weiden en stallen. Maar ook dit karwei vond hij nog te eervol voor zich. Als de minste broeder te dienen was zijn innigste wensch. Wat anderen met walging vervulde, trok hem het meest aan.
Hij bracht zeven jaren door in dienst van dit convent, biddende, mediteerend, vastend en zich kastijdend, terwijl hij overigens zich bezighield met ’t minderwaardigste werk.
Op zekeren dag verwondde hij in een met woest struikgewas en doornen overwoekerd veld zijn voet zoo ernstig, dat zijn heele been opzwol en vurig-rood werd, zoodat hij de hevigste pijnen leed. Deze verwondding kwelde hem dag en nacht. Maar hij verdroeg de smart geduldig, ze als ’n straf des hemels beschouwend voor ’t feit, dat hij in z’n prille jeugd eens zijn moeder met dien voet geschopt had, zooals hij zich altijd levendig was blijven herinneren.

Toen de zeven jaren boetepleging, hem door den paus opgelegd, om waren, keerde Gerlach naar Rome terug. Hij verzocht den paus hem nu een levenswijze aan te geven, waardoor hij tot grooter volmaaktheid zou kunnen komen. Hadrianus IV onderrichtte hem over verschillende kloosterregels en voorschriften, door vrome Christenen opgesteld ter verdieping van ’t geestelijk leven. Gerlach bemerkte nu, dat hij zich reeds ’n strenger tucht had opgelegd dan deze regels bevatten. Want voor zichzelf had reeds jaren lang zich onthouden van paardrijden, hetgeen hem als voormalig ridder aanvankelijk zwaar gevallen was. Ook gebruikte hij nimmer wijn of vleesch, vastte streng ’t geheele jaar door, en ging altijd gekleed in een stekelig-haren boetekleed. Dus wilde hij liever in de eenzaamheid als kluizenaar gaan leven. Hij bleef in ’t bezit van zijn vaderlij goed, maar beloofde de inkomsten hiervan te schenken aan de armen en behoeftigen en verder te gebruiken tot ondersteuning van kerken, kloosters, hospitalen en andere godsdienstige instellingen.
Met verlof van den paus keerde hij naar z’n vaderland terug en vestigde zich in ‘t Geuldal, waar zijn vaderlijk erf lag. Als woonplaats koos hij echter niet de ruime zalen van ’t weidsche kasteel, maar een dikken eikeboom, die hem ’n schuilplaats bood in de door tijd en ouderdom ontstane holte van den stam. In deze enge huizing besloot hij z’n verder leven te slijten. Een bloedverwante van hem, die daar in de buurt woonde, voorzag hem van ‘t noodige brood, terwijl hij z’n dorst leschte met ’t water van een naburigen put, dat hij zichzelf haalde. Elken dag ging hij te Maastricht in de St. Servaaskerk mishooren en begaf zich daartoe reeds in den vroegen ochtend op stap.
De zonderlinge levenswijze van Gerlach verwekte echter opspraak. Ook de laster verschoonde hem niet. Zoo werd hij beschuldigd van hebzucht, terwijl men beweerde, dat hij grooten schatten bezat, die hij verborgen hield in den boom onder den zwaren steen, waarop hij sliep. Toen dit gemeld werd aan den bisschop van Luik, Norbertus, beval deze den boom te vellen.
Van schatten kwam echter niets aan den dag. De bisschop, begaan met het lot van den vromen kluizenaar en spijt gevoelend, dat hij gehoor gegeven had aan de praatjes, die over Gerlacht verteld werden, liet uit ’t hout van den boom twee hutten bouwen. De eene diende Gerlach voortaan tot woning, de andere richtte hij als bidcel in.
Veertien jaren lang bracht Gerlach ter Houtem in de strengste boetepleging door, totdat hij op 5 januari 1172 een zaligen dood stierf.
Zijn nagedachtenis bleef in eere onder de bevolking der streek, te midden waarvan hij zoolang leefde, terwijl verhaald wordt van verschillende wonderen, die door zijn voorspraak zouden zijn geschied.

Beschrijving

Gerlach leeft een werelds leven tot zijn geliefde verongelukt. Hij breekt met zijn verleden en gaat een leven in dienst van God leiden. Na zijn terugkeer woont hij tot zijn dood als kluizenaar in een boom op zijn vaderlijk erf.

Bron

J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 75-82.

Commentaar

1923
De tweede verteller is Kleijntjens, J.

Naam Overig in Tekst

Gerlachus    Gerlachus   

Fransche    Fransche   

Franse    Franse   

St. Gerlach    St. Gerlach   

Geerling    Geerling   

Maas- en Rijngouw    Maas- en Rijngouw   

Jacoba    Jacoba   

God    God   

Apostel    Apostel   

Eugenius III    Eugenius III   

Orde van St. Jan    Orde van St. Jan   

Hadrianus IV    Hadrianus IV   

Christen    Christen   

Geuldal    Geuldal   

Norbertus    Norbertus   

Naam Locatie in Tekst

Houthem    Houthem   

Valkenburg    Valkenburg   

Brabant    Brabant   

Gulik    Gulik   

Kempenland    Kempenland   

Klimmen    Klimmen   

Heerlen    Heerlen   

Rimburg    Rimburg   

Rome    Rome   

Jerusalem    Jerusalem   

Jeruzalem    Jeruzalem   

Maastricht    Maastricht   

St. Servaaskerk    St. Servaaskerk   

Luik    Luik   

Plaats van Handelen

Houthem (Limburg)    Houthem (Limburg)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20