Hoofdtekst
Heel lang gelden woonde er in de Dokkumer Wouden een keuterboer die Meint heette. Het ging hem behoorlijk goed, maar wat jammer voor hem was, was dat hij een allerakeligst domme vrouw had. Als hij eens weer een beetje vooruitgang had, dan haalde de vrouw weer de een of andere domme streek uit, dat hij het ook direct weer had verloren. Ze hadden laat in de herfst een varken geslacht, en dat wou ze zo maar dubbel en dwars opmaken, toen zei Meint tegen haar: “Ja, maar dat kan niet, want we moeten wat bewaren voor de koude winter”.
Een paar dagen later moest Meint op een morgen voor zaken weg, en hij waarschuwde haar eerst: “Nu moet je er vandaag aan denken, dat je nouw geen stomme dingen doet hè?” Hij had nog maar pas de hielen gelicht of daar kwam iemand bij de deur. De vrouw komt bij hem, en die man vroeg om geld. De vrouw nam hem op en zei: “Je lijkt de koude winter wel”. “Och”, zegt die man, “Dat ben ik ook, vrouw”. En zij zegt: “Dan moet je even wachten, dan zal ik je even wat spek uit de kelder halen, mijn man heeft gezegd, die moest ik voor je bewaren”. De man stapte op met zijn spek.
Een poosje later kwam er een veehandelaar, of er ook handel was. Ja, zegt ze, we hebben nog wel een paar koeien te verkopen, maar mijn man is niet thuis.
Nou, zegt hij, U kunt ze mij ook wel verkopen, en zij met die man naar de stal, en die kocht de beide koeien. Ze vroeg honderd daalders per stuk. Ze wist wel dat haar man dat wou hebben voor die koeien en die man nam ze ook direct aan en hij zegt: Dan neem ik ze direkt maar mee, en toen hij ze aan het losmaken was, toen zei ze: Je moet ze zeker ook betalen?
Ja, zegt de man, dat heb ik vergeten. Weet je wat we doen? Ik heb deze al los, maar die neem ik nou maar mee, dan laat ik die andere staan voor borg. Dan ben je altijd gedekt. Nou ja, dat vond ze ook wel goed, en hij ging met die koe weg.
’s Avonds toen Meint thuiskwam en zag dat het spek en de koe weg waren, toen stond het er niet al te best voor. Hij was eerst van plan haar een flink pak slaag te geven, maar hij zei: Weet je wat? Ik ga morgen op stap, en dan ga ik drie dagen weg en als ik in die drie dagen iemand tegen kom die nog dommer is dan jij, dan kom er zonder slaag af, lukt het niet, dan krijg je een pak slaag dat je verdiend hebt.
Nou, de andere morgen toen ging Meint al vroeg op stap, en hij reisde de hele dag maar toen hij tegen de avond hij een herberg aankwam, toen had hij nog niemand aangetroffen die dommer was dan zijn vrouw, maar toen hij daar binnen kwam dacht hij: Nou nou, nou weet ik het niet.
Hij vroeg om nachtverblijf en als het kon wat eten, en toen werd hem een slaapplaats boven de paardestal aangewezen, maar toen hij de volgende morgen wakker werd toen dacht hij: wat voor leven is dat, wat gaat dat er een stuk om weg, hij knapte zich wat op en hij naar beneden, en toen hij beneden in de kamer kwam toen stond de vrouw met de handen omhoog met de man zijn broek op te houden, en de man stond boven op de ladder en dan probeerde hij in die broek te springen en dat lukte twee, drie maal niet, en de derde, vierde maal, toen lukte het een keer en hij zei: Mensen waarom doe je dat zo?
Nou, hoe moet het anders? Nou, hij trok zijn broek uit, en liet zien hoe hij dat deed. Nou, die mensen waren in de wolken, dat ze van die last af waren, dat hij hoefde niet te betalen, en hij kreeg nog voor de hele dag proviand mee, en Meint weer op stap. Tegen de middag liep hij op de weg, en toen kwam er een paard en wagen aan en daar stond een vrouw voor op te mennen en die had een wagen rapen en nog een mand met rapen op de rug. En toen dacht hij: nou dat kon ook wel niet een van de allergoochemste wezen, en hij begon een beetje scheef over de weg te lopen en toen die wagen bij hem was en toen hield hij hem aan, en toen zegt hij tegen die vrouw: Kunt U mij de weg naar de hemel ook zeggen?
Ja, zei die vrouw, maar dat is een lange weg. Ja, maar hij zegt: Ik ben er geweest, dat weet ik wel, maar ik ben er uit gevallen, en nou kanik de weg terug niet vinden. O, zei de vrouw, als jij er geweest bent, dan zal je mijn man ook wel kennen. Nou, wie is dat? Nou, dat is Rients Baltsjes. O, jawel, zegt hij, een lange schrale man hè? Ja. Ja, dan kende hij hem best. Nou, zij wou graag weten hoe het met hem ging. Och, hij zegt: Het gaat hem goed, maar hij loopt er de laatste tijd niet zo heel best bij, want zijn kleren zijn aardig versleten. O, zegt ze, nou, ik heb zijn trouwpak nog in de kast hangen, zou U dan zo goed willen zijn dat voor me mee te nemen?
Ja, hij zegt: dat zou ik anders wel willen doen, maar zie je, kleren mag je beslist niet binnensmokkelen, dat kan beslist niet, daar zie ik geen kans op. Nou, ze zegt: Ik kom krekt van ’t land en ik heb een vracht rapen afgeleverd en toen heb ik geld van de schipper gebuurd, dat heb ik bij mee, zou je dat mee kunnen nemen?
Nou, hij zegt: Dat wordt ook wel een toer, want smokkelen, dat zeg ik al, is streng verboden, maar ach, dat kun je in je zak steken, dat zal misschien wel lukken. Hij krijgt de pong met geld van de vrouw, en hij wenste haar verder het beste, en zij gingen ieder een kant uit.
Toen de wagen om de bocht van de weg verdwenen was, ging Meint in de berm zitten en hij ging eens tellen, wat het zaakje hem opgeleverd had. Nou, toen hij het weer opgeborgen had, kwam er een jongeman op een paard aanrijden, die zegt tegen hem: Heb jij die man ook gezien, die uit de hemel gevallen is? Nou ja, ik heb hem wel gezien, zegt Meint, maar hij is die kant uitgegaan, als je er op het paard vlug achteraan gaat dan kun je hem nog wel inhalen. Ja, zegt die man, dat kunt U wel zeggen, maar als ik hem nou achterop rijdt, ik ken die man niet. U kent hem wel, als U mijn paard krijgt, en U rijdt hem achterna, want hij wou dan graag met hem praten, want hij had een boodschap aan zijn vader. Ja, zegt Meint daar zeg je wat, dat is ook al wat. En Meint kreeg het paard, die bereed het paard, en de jongeman ging in de berm zitten, en toen hij ’s avonds thuiskwam toen zegt hij tegen zijn vrouw: Nou, je komt er deze keer best voorweg, want ik heb niet één, maar drie gevonden, die nog dommer zijn dan jij bent.
Een paar dagen later moest Meint op een morgen voor zaken weg, en hij waarschuwde haar eerst: “Nu moet je er vandaag aan denken, dat je nouw geen stomme dingen doet hè?” Hij had nog maar pas de hielen gelicht of daar kwam iemand bij de deur. De vrouw komt bij hem, en die man vroeg om geld. De vrouw nam hem op en zei: “Je lijkt de koude winter wel”. “Och”, zegt die man, “Dat ben ik ook, vrouw”. En zij zegt: “Dan moet je even wachten, dan zal ik je even wat spek uit de kelder halen, mijn man heeft gezegd, die moest ik voor je bewaren”. De man stapte op met zijn spek.
Een poosje later kwam er een veehandelaar, of er ook handel was. Ja, zegt ze, we hebben nog wel een paar koeien te verkopen, maar mijn man is niet thuis.
Nou, zegt hij, U kunt ze mij ook wel verkopen, en zij met die man naar de stal, en die kocht de beide koeien. Ze vroeg honderd daalders per stuk. Ze wist wel dat haar man dat wou hebben voor die koeien en die man nam ze ook direct aan en hij zegt: Dan neem ik ze direkt maar mee, en toen hij ze aan het losmaken was, toen zei ze: Je moet ze zeker ook betalen?
Ja, zegt de man, dat heb ik vergeten. Weet je wat we doen? Ik heb deze al los, maar die neem ik nou maar mee, dan laat ik die andere staan voor borg. Dan ben je altijd gedekt. Nou ja, dat vond ze ook wel goed, en hij ging met die koe weg.
’s Avonds toen Meint thuiskwam en zag dat het spek en de koe weg waren, toen stond het er niet al te best voor. Hij was eerst van plan haar een flink pak slaag te geven, maar hij zei: Weet je wat? Ik ga morgen op stap, en dan ga ik drie dagen weg en als ik in die drie dagen iemand tegen kom die nog dommer is dan jij, dan kom er zonder slaag af, lukt het niet, dan krijg je een pak slaag dat je verdiend hebt.
Nou, de andere morgen toen ging Meint al vroeg op stap, en hij reisde de hele dag maar toen hij tegen de avond hij een herberg aankwam, toen had hij nog niemand aangetroffen die dommer was dan zijn vrouw, maar toen hij daar binnen kwam dacht hij: Nou nou, nou weet ik het niet.
Hij vroeg om nachtverblijf en als het kon wat eten, en toen werd hem een slaapplaats boven de paardestal aangewezen, maar toen hij de volgende morgen wakker werd toen dacht hij: wat voor leven is dat, wat gaat dat er een stuk om weg, hij knapte zich wat op en hij naar beneden, en toen hij beneden in de kamer kwam toen stond de vrouw met de handen omhoog met de man zijn broek op te houden, en de man stond boven op de ladder en dan probeerde hij in die broek te springen en dat lukte twee, drie maal niet, en de derde, vierde maal, toen lukte het een keer en hij zei: Mensen waarom doe je dat zo?
Nou, hoe moet het anders? Nou, hij trok zijn broek uit, en liet zien hoe hij dat deed. Nou, die mensen waren in de wolken, dat ze van die last af waren, dat hij hoefde niet te betalen, en hij kreeg nog voor de hele dag proviand mee, en Meint weer op stap. Tegen de middag liep hij op de weg, en toen kwam er een paard en wagen aan en daar stond een vrouw voor op te mennen en die had een wagen rapen en nog een mand met rapen op de rug. En toen dacht hij: nou dat kon ook wel niet een van de allergoochemste wezen, en hij begon een beetje scheef over de weg te lopen en toen die wagen bij hem was en toen hield hij hem aan, en toen zegt hij tegen die vrouw: Kunt U mij de weg naar de hemel ook zeggen?
Ja, zei die vrouw, maar dat is een lange weg. Ja, maar hij zegt: Ik ben er geweest, dat weet ik wel, maar ik ben er uit gevallen, en nou kanik de weg terug niet vinden. O, zei de vrouw, als jij er geweest bent, dan zal je mijn man ook wel kennen. Nou, wie is dat? Nou, dat is Rients Baltsjes. O, jawel, zegt hij, een lange schrale man hè? Ja. Ja, dan kende hij hem best. Nou, zij wou graag weten hoe het met hem ging. Och, hij zegt: Het gaat hem goed, maar hij loopt er de laatste tijd niet zo heel best bij, want zijn kleren zijn aardig versleten. O, zegt ze, nou, ik heb zijn trouwpak nog in de kast hangen, zou U dan zo goed willen zijn dat voor me mee te nemen?
Ja, hij zegt: dat zou ik anders wel willen doen, maar zie je, kleren mag je beslist niet binnensmokkelen, dat kan beslist niet, daar zie ik geen kans op. Nou, ze zegt: Ik kom krekt van ’t land en ik heb een vracht rapen afgeleverd en toen heb ik geld van de schipper gebuurd, dat heb ik bij mee, zou je dat mee kunnen nemen?
Nou, hij zegt: Dat wordt ook wel een toer, want smokkelen, dat zeg ik al, is streng verboden, maar ach, dat kun je in je zak steken, dat zal misschien wel lukken. Hij krijgt de pong met geld van de vrouw, en hij wenste haar verder het beste, en zij gingen ieder een kant uit.
Toen de wagen om de bocht van de weg verdwenen was, ging Meint in de berm zitten en hij ging eens tellen, wat het zaakje hem opgeleverd had. Nou, toen hij het weer opgeborgen had, kwam er een jongeman op een paard aanrijden, die zegt tegen hem: Heb jij die man ook gezien, die uit de hemel gevallen is? Nou ja, ik heb hem wel gezien, zegt Meint, maar hij is die kant uitgegaan, als je er op het paard vlug achteraan gaat dan kun je hem nog wel inhalen. Ja, zegt die man, dat kunt U wel zeggen, maar als ik hem nou achterop rijdt, ik ken die man niet. U kent hem wel, als U mijn paard krijgt, en U rijdt hem achterna, want hij wou dan graag met hem praten, want hij had een boodschap aan zijn vader. Ja, zegt Meint daar zeg je wat, dat is ook al wat. En Meint kreeg het paard, die bereed het paard, en de jongeman ging in de berm zitten, en toen hij ’s avonds thuiskwam toen zegt hij tegen zijn vrouw: Nou, je komt er deze keer best voorweg, want ik heb niet één, maar drie gevonden, die nog dommer zijn dan jij bent.
Beschrijving
Een man heeft een domme vrouw, door haar domme streken raakt hij steeds in de problemen. Bij de zoveelste domme actie van zijn vrouw, wil hij haar eigenlijk een pak slaag geven. Maar hij besluit om eerst drie dagen te gaan reizen, komt hij in die drie dagen iemand tegen die nog dommer is dan zij, dan komt ze er zonder slaag vanaf. Tijdens de reis komt de man zelfs drie nog dommere mensen tegen.
Bron
Uitgetypte bandopname (10 okt. 1964, 15 sept. 1972). Doublet, origineel aanwezig Archief Ate Doornbosch, archiefnummer 413.
Commentaar
november 1964
Naam Overig in Tekst
Dokkumer Wouden   
Meint   
Rients Baltsjes   
Plaats van Handelen
Dokkumer Wouden (Dokkum, Friesland)   
Kloekenummer in tekst
B030p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
