Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HEIDA001

Een sprookje (mondeling), juli 1964

Leonardo_Diffusion_XL_a_wizard_3.jpg

Hoofdtekst

Er waren een koning en een koningin, die wilden graag een zoon hebben, maar zij kregen er niet een en de koning was daar erg bedroefd om en hij ging het bos in en hij dacht diep na. Hij ging op een boomstam zitten en hij zei nog eens, “Wat zou ik toch graag een zoon hebben.”
Toen kwam er een oude vrouw aan. Het oude vrouwtje zei, “Koning waarom zit u hier zo te treuren?” Och, vrouwtje, zei hij, Je kunt me toch niet helpen”. Zeg het maar, zei ze, dan zal ik toch proberen, of ik kan helpen. Och, zei de koning, ik kan het niet zeggen, want je kan mij hiermee toch niet helpen. Toe maar, zei het vrouwtje, zeg het toch maar. Toen vertelde de koning dan dat zij zo graag een wilden hebben en het vrouwtje zei, dat is helemaal niet zo moeilijk. Van na af aan zal je vrouw bevrucht zijn en dan zul je een zoon krijgen. En de koning gaat naar huis en vertelde het aan zijn vrouw. Ja, zei de vrouw, wat moeten we hiervan denken. Nou, zegt de koning, we moeten maar afwachten en dat duurde een poosje en er verloopt een hele tijd en toen kregen zij een zoon. Nu heb ik wat vergeten. Het vrouwtje zei, de zoon mag het erf niet verlaten voor hij 16 jaar is.

De zoon wordt geboren, hij groeit op, maar er wordt altijd goed op gelet, dat hij het erf niet verlaat. Op een dag zou er een grote drijfjacht worden gehouden. Dat is de dag voor de zestiende verjaardag van de prins en de koning zegt, Nou, morgen wordt hij zestien jaar, hij kan vandaag wel mee, dat hindert niet. Nee, zegt de koningin, dat zal niet hinderen.
Zij gaan het bos in en op een grote open plek in het bos spreken zij af, dat zij ieder een kant op zullen gaan en dat zij elkaar ’s avonds op dezelfde plek om zes uur zullen treffen. Dat is afgesproken en de koningszoon gaat ook het bos in en zij jagen de hele dag en om zes uur komen zij allemaal weer bij elkaar. Maar de koningszoon is er niet en zij zoeken het hele bos door, zij zoeken de hele nacht, zij kijken overal, maar de koningszoon is niet te vinden. Hij is er niet. De koningszoon is verdwaald.
Hij dwaalt verder het bos in en steeds maar verder en hij kan nergens zijn huis vinden en eindelijk ziet hij een lichtje branden. Hij denkt, ziezo, daar ben ik bij een huisje. Hij denkt, dar moet ik maar heen en hij gaat er heen en hij klopt aan. Hij komt daar bij een tovenaar, maar dat weet hij niet. Op zijn kloppen komt er een jong meisje bij de deur en dat zegt, kom maar binnen.
De tovenaar zegt de volgende morgen. Ja, je bent hier nou wel, maar je moet wat voor me doen. Kijk, hier heb ik een bijl. Zie je dat bos daar wel, dat moet je kappen en dan moet je de takken bij takken binden en de bomen bij bomen leggen en dat moet vanmiddag klaar zijn. Och heden, denkt de koningszoon, dat krijg ik nooit voor elkaar.
Maar de tovenaar had drie dochters, een schele, een gebochelde en een heel knappe. Er wordt om gevochten, wie de koningszoon ’s middags eten zal brengen. De knappe dochter wil het graag doen, maar dat wil zij niet laten blijken. En de schele zegt, ik doe het niet, laat hem maar verhongeren. De gebochelde zegt, ik doe het niet. Nou, zegt de knappe, als jullie dan niet willen, dan breng ik hem wel eten en zij gaat er naar toe. Maar hij zit te zuchten en te steunen op een boomstam en zij zegt, Eduard, want zo heette die zoon, waarom zucht je zo? En hij zegt, hoe zal ik dat bos hier kappen, ik heb nog niets gedaan, want ik kan dat niet. Nou, zegt zij, eet eerst maar en als je gegeten hebt, leg dan je hoofd maar in mijn schoot en slaap maar even. Nou hij eet zijn eten op en hij gaat liggen en hij slaapt en als zij hem even later wekt is alles gekapt en alles ligt mooi bij elkaar en hij zegt, Hoe kan dat? Zij zegt, daar moet je maar niet naar vragen als vader straks kom moet je alleen maar zeggen, smerige oude kerel, waarom ben je niet eerder gekomen, ik ben allang klaar. Nou, de vader kwam en hij zegt, smerige oude kerel, waarom ben je niet eerder gekomen, ik heb het bos allang gekapt.

Wel, wel, denkt de reus en die gaat met grote stappen naar huis en hij zegt tegen zijn vrouw, hij kan veel meer dan ik. Hij heeft het hele bos gekapt. Maar de volgende dag zegt hij, hier heb je drie stopnaalden en zie je dat stuk hei daar, wel daar moet je nu een heel groot slot op bouwen, met deze drie stopnaalden. Hij gaat naar de hei, maar dan laat hij de stopnaalden vallen. Hij gaat zitten want hij kan verder niet doen en er wordt weer om gevochten, wie hem zijn eten zal brengen.
De schele en de gebochelde willen het niet doen en de knappe zegt, dan zal ik het wel doen. Zij komt weer bij hem en hij ziet dat hij in de hei zit te treuren. Dan zegt hij, waarom zucht je zo en hij zegt, ik kan de drie stopnaalden niet terug vinden, ik kan het slot niet bouwen en zij zegt, nou, eet maar en ga maar weer slapen. Hij eet weer en hij slaapt weer en als hij wakker wordt, staat daar een heel groot slot met 99 kamers erin. Toen zegt zij, luister goed, als vader straks komt, dan moet je zeggen, waarom ben je niet eerder gekomen, want het slot staat er al een hele poos. Maar, zegt zij, hij wilde alle kamers zien. Hier heb je een bos sleutels om ze open te maken en als je dan bij de 99ste kamer komt en de sleutel omdraait, dan moet je doen alsof je je pols verzwikt. Dan doet hij de deur open en dan moet je hem naar binnen duwen. Dat kan, zegt de koningszoon, dat zal ik wel doen.
Daar komt de oude man en de prins zegt, waarom ben je niet eerder gekomen, Het slot staat er al een hele tijd. De tovenaar zegt, ik moet alle kamers zien. Goe, zegt Eduard, dat kan wel. Maar bij de 99ste kamer doet hij precies wat het meisje gezegd heeft. Hij duwt de tovenaar door de deur en het hele slot is verdwenen. Daar staan ze met z’n tweeën. De tovenaar loopt naar huis en Eduard komt een poosje later.

De tovenaar zegt tegen zijn vrouw, we zullen hem vannacht dood maken. Hij kan veel meer dan ik kan, dus hij moet maar dood. Dat hoort die mooie dochter. De tovenaar zei, maak het water maar heet, zet de pot maar op het vuur. Wij zullen hem koken. Eerst moest de schele dochter het vuur stoken, dan de gebochelde en dan de knappe, zodat het vuur de hele nacht door zou blijven branden. En de vader riep telkens, brandt het vuur nog? Dan antwoordde de dochter, die op dat ogenblik stookte, Ja vader, het vuur brandt.
Maar toen het de beurt van de knappe dochter was, maakte zij gauw Eduard wakker. Zij zei, vlug opstaan, zadel je paard, anders wordt je doodgemaakt. En de tovenaar roept zo nu en dan nog steeds, brandt het vuur nog? Ja vader, antwoordde zij, het vuur brandt nog, maar zij dacht, als ik er met Eduard vandoor ga, dan kan ik dat niet meer zeggen. Daarom zei zij tegen Eduard, kijk, nu spuug ik hier driemaal op de stoep en als mijn vader dan roept, brandt het vuur nog, dan antwoordt het spuug, ja vader, het vuur brandt nog. Maar voor zonsopgang moten wij een heel eind op weg zijn, want het spuug droogt op door de zon en dan kan het geen antwoord meer geven. Zij zegt, je moet de roskam en de borstel meenemen. Die kunnen ons nog van pas komen.

Zij stappen op het paard en zij rijden heel ver, maar nu komt de zon op en de vader vraagt, brandt het vuur nog? Er komt geen antwoord meer. Och heden, zegt de vader, nu heeft onze dochter ons te grazen. Zij is er vandoor met de jongen. De vrouw zegt, gauw, er achteraan en de tovenaar er achteraan. Kijk uit, zegt de dochter, daar komt mijn vader aan, gooi vlug je roskam over je schouder, dat doet de koningszoon en op hetzelfde moment groeit daar een hoge doornenhaag en daar zitten twee vlinders in. De tovenaar kan ze niet te pakken krijgen en hij gaat weer naar huis. Hij zegt tegen zijn vrouw. Zij hebben mij weer te grazen. Ik kan ze niet krijgen.
Och, zegt de vrouw, je bent ook een mooie, laat mij maar eens gaan. Toen ging zij de prinses en de dochter achterna en de dochter zag haar aankomen. Zij zei, oh, dat is niet zo best, daar komt mijn moeder aan. Gooi gauw de borstel over je schouder. Hij gooit de borstel over zijn schouder en zij veranderen in twee zwanen in een grote vijver. Dochter, dochter, zegt de moeder, ik zal je wel krijgen. Zij gaat op haar buik liggen, om de vijver leeg te drinken. Dat is niet zo mooi, zegt het meisje. Zij gooit snel wat vergif in het water en de moeder sterft. Zij zegt, ja, dochter dochter, je bent veel slimmer dan ik. Ik wil je nog iets geven. Hier heb je drie noten, die kunnen je misschien van pas komen. De prins en het meisje stappen weer op het paard en rijden weer weg.
Zij komen aan de rand van het bos bij de stad, waar Eduard woont. Het meisje zegt, Eduard, ik ga hier een herberg in, ga jij maar naar je paleis, maar je moet mij niet vergeten.

Welnee, zei Eduard, ik zal je niet vergeten en hij gaat weg, maar nauwelijks heeft hij een eindje gelopen, of hij is totaal vergeten wat er gebeurd is. Hij komt in het paleis en de koning en de koningin geven een groot feest, omdat de prins weer terug is. Er is zelfs een verloofde voor hem. De koning zegt, we moeten hier eigenlijk een zangeres zien te krijgen om de zaak wat op te vrolijken. De dochter van de tovenaar komt aan de deur en zegt dat zij zangeres is. Eduard herkent haar niet. Zij mag ’s avonds zingen. Als zij in het paleis is, denkt zij, ik zal een noot open maken en eens kijken wat er inzit. Zij maakt een noot open en er komt een mooie zilveren jurk uit. Die trekt zij aan en met de jurk aan zingt zij, en de nieuwe verloofde van Eduard zegt, wat zou ik verschrikkelijk graag de jurk hebben. Ja, zegt het meisje, de jurk mag je wel hebben, maar dan wil ik een nacht bij Eduard blijven. Ja, zegt de verloofde, dat moet maar. Maar de koning denkt, wat is dat eigenaardig, dat die zangeres bij Eduard wil zijn. Ik moet voor de zekerheid maar een slaapmiddeltje in zijn wijn doen.En toen het meisje op Eduards kamer kwam, sliep hij al. Zij zegt, Eduard, wordt toch wakker, ken je mij niet meer. Maar Eduard slaapt en hij wordt niet wakker, dus de eerste nacht is verloren.
Op de tweede avond maakt zij weer een noot open en dan komt een gouden japon uit. Daar treedt zij in op en de prinses wil zo vreselijk graag ook die gouden jurk hebben. Zij vraagt, of zij hem mag hebben en de zangeres zegt, Ja, maar dan moet ik nog een nacht bij Eduard zijn. De koning doet weer een slaapmiddeltje in zijn wijn, en Eduard slaapt als het meisje binnenkomt. Ze zegt, Eduard, wordt toch wakker, je kent mij toch wel. Maar Eduard blijft slapen.
Op de derde avond maakt zij de derde noot open, daar komt een diamanten jurk uit. Eduard denkt, wat is het eigenaardig, dat zij twee nachten bij mij heeft willen slapen. Ik eet en drink vanavond niet meer, dan blijf ik wel wakker. Het zangeresje treedt op in de diamanten jurk en de prinses zegt, dat zij zo vreselijk graag ook die jurk wil hebben. Dat kan wel, zegt de zangeres, maar dan wil ik ook deze nacht bij Eduard slapen. Zij komt op Eduard zijn kamer en Eduard is wakker. Zij vraagt, Eduard ken je mij niet meer en Eduard herinnert zich niets. Zij zegt, Eduard, weet je dan niet meer, dat je bij ons thuis ben geweest en weet je niet meer wat wij allemaal samen beleefd hebben? Ja, zegt Eduard, nu weet ik alles weer. Dus je bent mij niet vergeten? Nee, zegt zij, ik weet alles weer.
De volgende dag gaat hij naar zijn vader de koning en daar haalt hij een oude, roestige sleutel uit zijn zak en een nieuwe. Vader, zegt hij, nu heb ik hier een oude sleutel en een nieuwe sleutel en ik ben erg gehecht aan de oude sleutel, welke moet ik nu weggooien? Ja, zegt de koning, als je zo gehecht bent aan die oude sleutel, dan moet je die maar weggooien. Wel, zegt de prins, dan zal de zangeres mijn vrouw worden en de prinses niet.

Onderwerp

AT 0313 - The Magic Flight    AT 0313 - The Magic Flight   

ATU 0313 - The Magic Flight.    ATU 0313 - The Magic Flight.   

Beschrijving

Een koning en koningin lukt het niet om een zoon te krijgen. Een oude vrouw biedt aan hen te helpen, op voorwaarde dat hun zoon het erf niet verlaat voor hij 16 is. De koning en koningin krijgen een zoon, Eduard. De dag voor zijn zestiende verjaardag wordt er een jacht georganiseerd. De koning denkt dat het geen kwaad kan en neemt zijn zoon mee. Eduard raakt verdwaald en komt terecht bij het huis van een tovenaar. Deze vraagt hem enkele onmogelijke opdrachten te vervullen. Het lukt Eduard deze te volbrengen door de toverhulp van de drie tovenaarsdochters, die medelijden met hem hebben. De tovenaar besluit dan dat hij Eduard wil doden, omdat hij machtiger zou zijn dan hem. Een van zijn dochters hoort dit en vlucht samen met de prins. Zij vraagt hem haar niet te vergeten, maar als Eduard thuis is vergeet hij haar toch. De tovenaarsdochter doet zich voor als zangeres en komt zo het paleis binnen. Eduard herkent haar niet. De dochter maakt drie magische noten open, waaruit drie mooie jurken komen. Eduards verloofde wil deze jurken hebben, de tovenaarsdochter gaat akkoord op voorwaarde dat zij de nacht bij Eduard mag blijven. De koning vertrouwt dit niet en stopt een slaapmiddel in Eduards wijn. Op de derde avond lukt het de zangeres om Eduard haar te laten herkennen. Hij besluit met haar te trouwen.

Commentaar

juli 1964
Sjoukje Heida-Zandstra heeft de volksverhalen van haar vader geleerd.
Uitgetypte bandopname (11 maart 1963, 22 mei 1964). Doublet, origineel aanwezig Archief Ate Doornbosch, archiefnummer 413.

Naam Overig in Tekst

Eduard    Eduard   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21