Hoofdtekst
De enige ware vertelling van Jan de scharensliep
‘Potverdorie,’ zuchtte Jan de scharensliep, ‘nu ben ik wat tegengekomen, zie. Ik sta met mijn karretje op de hoek van de Hellestraat en de Duivelsvest, ik wil een schaar beginnen slijpen, ik roer met mijn been, maar potverdorie, mijn slijpsteen wilde niet draaien. Ik zeg: wat is me dat nu, ik peuter wat hier en ik peuter wat daar, allemaal tevergeefs. En nu sta ik hier, Jef de wagenmaker, om te vragen of gij me uit de nood kunt helpen.’
‘Dat zullen we dan wel eens doen, Jan de scharensliep,’ knikte Jef de wagenmaker.
Hij peuterde wat hier, en ook daar, en hij vloekte dat zijn klak er scheef van ging staan, maar uiteindelijk schudde hij zijn kop en zei: ‘Jan de scharensliep, ik vind het niet. Alles zit goed in elkaar, zoals het wezen moet, maar het is alsof er de duivel mee gemoeid is. In uw plaats zou ik uw karretje eens laten overlezen door meneer pastoor.’
‘Potverdorie,’ zuchtte Jan alweer. ‘Ik ga niet gaarne naar meneer pastoor, want ik ben al vier zondagen niet naar de mis geweest en ik denk dat hij dat heel goed weet. Laat ik eerst nog eens naar Toon de timmerman gaan. Die heeft vanzeleven eens ons bed gemaakt, toen ik er met mijn vrouw Treze ben doorgezakt, en het houdt nog altijd.’
‘Doe wat ge niet laten kunt,’ bromde Jef de wagenmaker. ‘Ik heb mijn best gedaan.’
En zo kwam Jan de scharensliep bij Toon de timmerman gegaan en hij vertelde hem zijn vreemd verhaal, evenwel verzwijgend dat Jef de wagenmaker hem had aangeraden om de hulp van meneer pastoor in te roepen.
‘Bon,’ knikte Toon de timmerman (hij zei altijd ‘bon’ wanneer hij ‘goed’ bedoelde; dat was nog een overblijfsel uit zijn soldatentijd, toen hij diende onder Napoleon, die grote deugniet).
‘Bon,’ dus. En hij peuterde wat links en ook wat rechts, hij schudde aan het karretje van Jan de scharensliep, hij goot wat water in het bakje waarin normaal de slijpsteen draaide, maar hoe Jan de scharensliep ook roerde met zijn been, het was al boter aan een pleisteren been.
‘Bon,’ zuchtte Toon de timmerman. ‘Maar ik vind niets abnormaals. Het valt me moeilijk om het te zeggen maar, Jan de scharensliep, ik vrees dat ge uw tuig moet laten overlezen door meneer pastoor, en ik voeg er aan toe: liefst met zoveel mogelijk wijwater, want de boze verbergt zich bij voorkeur in het waterbakje van de slijpsteen.’
‘Amai,’ zuchtte Jan de scharensliep en omdat hij nog altijd niet graag naar meneer pastoor liep, vroeg hij aan Magriet de overleester of ze soms nog wat water van Lourdes of dan toch ten minste van Oostakker had, om in zijn slijpsteenbakje te gieten en aldus de boze te verplichten de wijk te nemen.
‘Ho ho,’ kwekte Magriet de overleester. ‘Ik heb in mijn leven al een en ander overlezen: van de geheime verzuchtingen van onze Heilige Vader de Paus van Rome, tot aan de aambeien van meneer pastoor. Maar over een karretje met een slijsteen die in water draait door het roeren van uw been, nee, beste Jan de scharensliep, zo ver reikt mijn macht niet. En ik voeg er aan toe dat ge een nog altijd parmantige man bent.’
En ze dacht erbij dat hij helaas geen spek voor haren bek was, want dan zou ze al haar krachten als overleester verliezen, want het geloof kende toen nog geen seks die de moeite waard was.
En zo was Jan de scharensliep uiteindelijk wel verplicht de hulp van meneer pastoor in te roepen. Die pastoor was ongelofelijk oud en ongelofelijk arm aan goud en centen, omdat hij in zijn leven alles al had weggegeven, bijvoorbeeld zijn voorraad steenkool voor de winter – en dan blies hij maar in zijn handen om de harde kou te verdrijven. Bijvoorbeeld... ik zou niet meer weten wat hij allemaal had weggegeven aan wie armer was dan hij, en hij had van zijn ouders een enorm fortuin geërfd, wel van drie pachthoven van zoveel gemeet, plus het geld dat in de matras van zijn vader verborgen stak toen die met een zucht en een kreun het ondermaanse verliet, op weg naar zijn vrouw, ze heette Manse en ze had haar leven lang een goed hart gehad voor wezen en sukkelaars, en daarom zei de pastoor, die Jan de scharensliep ten einde raad om hulp had gevraagd: ‘Jan de scharensliep, ik zie u al vier weken niet in de heilige zondagsmis, maar ik weet dat ge een eerlijk en godvrezend man zijt met een ambacht dat geen ander tot bloei brengt, en dat ge uw bloed zou geven voor uw bloedjes van kinderen, en één arm en één been voor Treze, uw vrouw. En daarom zeg ik u: roer vanavond om negen ure uw been, wanneer ge u net te slapen legt, en wat daaruit voortkomt zal tweevoudig zijn: uw slijpsteen die nu al aan het ronken is, en een zoontje dat de allerlaatste scharensliep van deze wereld zal zijn. Wie zich op zoiets kan roemen, Jan de scharensliep, die heeft niet voor niets geleefd.
En zo is dat geschied. En dit is de enige ware vertelling van Jan de scharensliep, zo helpe me de Almachtige.