Hoofdtekst
Het verdriet van Annabel en Belanna
Wel tweehonderd jaar geleden stond bij de stadspoort, die intussen al lang verdwenen is omdat de weg te smal was voor het hedendaagse verkeer, een leerlooierij, die bekend was onder de naam ‘De verdoolde geit’. Hoeft het gezegd dat ze in de hele omgeving een ver van aangename geur verspreidde?
Dat belette evenwel niet dat Manten, de leerlooier, en zijn vrouw Petronella, een tweeling op de wereld zetten, Annabel en Belanna, die uitgroeiden tot waarlijk allerprachtigste jongevrouwen. Mocht je hen aanschouwd hebben, dan zou je er je hele bezit op verwed hebben dat de jongemannen in de rij gingen staan om een van de beide zussen voor zich te winnen. Maar dat was in genendele het geval. Gewoon omdat de twee schoonheden de stank van de leerlooierij met zich meedroegen. Wat ze ook deden, het was allemaal boter aan de galg en ze bleven maar stinken.
Moeder Petronela schafte zich het duurste reukwerk aan. Wanneer je daar twee druppels van rondsprenkelde in een overbevolkt varkenskot, dan straalde dit jarenlang een geur uit die aan bloeiende egelantieren deed denken en het vlees van de zwijntjes die in het betreffende hok waren grootgebracht, werd verkocht als parfumham en geparfumeerde koteletjes, en daar betaalde je minstens het dubbele van de normale prijs voor. Maar bij Annabel en Belanna verdween die goede geur al na enkele minuten.
Ook een bezoek aan de chirurgijn hielp niet. Die geleerde piet begon al na twee minuten onderzoek te kokhalzen en hij vluchtte het leerlooiershuis uit zo vlug zijn spillebenen hem dragen konden.
Toen zei Petronella aan haar mooie, maar bijna niet te troosten tweeling, dat het de hoogste tijd was om naar Trezebeze te gaan, een stokoude weduwe (ze had in haar lange leven zeven mannen overleefd) die bekend stond omdat ze in staat was om alle bestaande en onbestaande kwalen te overlezen. Dus liep Petronella met haar beide dochters naar het kotje van Trezebeze, die het eerste moment wel een scheve toot opzette, maar ze had tijdens haar leven met zeven echtgenoten zoveel stank moeten lijden, dat dit er nog wel bij kon. Ze deed de ongelukkige tweeling plaatsnemen op een stoel van essenhout en beval hen alle mogelijke luchtjes uit hun lichaam te persen.
‘Jaja, doe maar,’ moedigde ze hen aan.
Annabel en Belanna wisten aanvankelijk niet waar kijken van schaamte, maar toen Trezebeze uitriep dat dit de enige kans was op genezing, lieten ze alle schroom en alle luchtjes varen, wat zonder veel persen ging, aangezien ze die middag genoten hadden van de heerlijke bonenhutsepot van moeder Petronella.
Nadat Trezebeze twee minuten naar adem had gehapt, liet ze de beide jongevrouwen een groenachtige, brobbelend drankje drinken, dat stonk naar dode rat en er ook naar smaakte. Vervolgens besprenkelde ze hen, met behulp van een buitenmaatse kwispel, overvloedig met wijwater dat vijftig jaar oud was. Maar toen ook dat niet hielp, ging ze er hoofdschuddend bij zitten.
‘Hier eindigt mijn kunnen,’ zuchtte ze. ‘Er zit niet anders op dan de bisschop om hulp te vragen.’
‘De bisschop?’ riep Petronella uit. ‘Waar woont die wel?’
‘In de stad,’ antwoordde Trezebeze. ‘Hij is wel een raar geval, maar waar niets meer helpt, kan hij helpen, en zoniet dan is zelfs de hemel – Gode zij geloofd – niet in staat om nog soelaas te bieden.’
Dus reisden Trezebeze en haar dochters naar de stad per paardentram, die al na een eerste halte alle overige passagiers kokhalzend naar buiten zag vluchten.
Annabel en Belanna zaten erbij te snikken. En waar hebben we dat verdiend... en wat moet er van ons geworden...
‘De bisschop zal wel raad weten,’ trachtte Trezebeze hen te troosten.
In de stad aangekomen, belden ze aan aan het huis van de bisschop en Rozemarie, de lelijkste vrouw van uren in het rond, deed open, en ze vluchtte meteen terug het huis is, naar het vertrek en ze kwam er niet meer uit zolang Petronella en haar dochters in huis waren.
De bisschop, die eigenlijk al jaren op ruste was, zette een wasknijper op zijn neus en zei, met een ietwat nasale stem, dat er maar één oplossing was.
‘We aanvaarden alles!’ riep Petronella uit en haar dochters knikten alsof hun mooie hoofd eraf moest. ‘Zeg maar, uwe heiligheid de bisschop.’
‘Luister goed,’ zei hij. ‘Lang zal ik niet meer leven. En wanneer ik begraven zal zijn, moeten jullie, Annabel en Belanna, tijdens de nacht van de dode maan, naar het kerkhof komen en daar puidebloot op mijn graf gaan liggen, helemaal uitgestrekt. Aangezien ik dan al aan het rotten ben, zal ik jullie stank overnemen – die kan er beslist nog bij zonder dat ik daar van omval – en ten slotte lopen jullie naar het dodenhuisje bij de toegang tot de dodenakker, waar jullie elkaar moeten overgieten met wijwater. En dan zullen jullie van alle onbetamelijkheden verlost zijn. Voorgoed. Dus nog een beetje geduld.’
Ze dankten de bisschop overvloedig en reden in de lege paardentram (op de voerman na, maar die was zo dronken dat hij alleen maar zijn eigen stank rook) naar huis, waar ze vader Manten opgewonden op de hoogte brachten van hun bezoek aan zijne heiligheid de bisschop en, voegden ze eraan toe, hoe ze binnen afzienbare tijd eindelijk verlost zouden zijn van hun enorme lijfreuk.
‘Eerst ruiken en dan geloven,’ zuchtte de wereldwijze vader Manten, die van god of zijn gebod hield. ‘Die bisschop is een vieze vent, die nog twee blote vrouwen wil wanneer hij al ligt te stinken in zijn graf.’
Ze lieten hem maar zeggen en baden alle dagen vurig dat de bisschop zo spoedig mogelijk zou opgenomen worden in de glorie des hemels.
Maar de dagen werden weken, de weken maanden, de maanden een jaar, een jaar zeven lange, bittere, stinkende jaren. Maar op een dag was het zo ver. Helaas, omdat het er de schijn van had dat de bisschop heilig verklaard zou worden, werd zijn stoffelijk overschot in een sarcofaag gepropt, dat ter verering in het midden van de bisschopskerk werd gezet en dat er zou blijven tot er twee mirakels zouden gebeurd zijn. Al na drie jaar had er een mirakel plaats: een vrouw van tweeënzeventig jaren oud baarde een tweeling, die echter na twee dagen van naar lucht happen overleed. En het tweede mirakel bleef maar uit en nog langer, en op de duur stond de sarcofaag in de weg en werd de heilige bisschop eindelijk begraven op het kerkhof, zodat Annabel en Belanna eindelijk, in de nacht van de nieuwe maan, puidebloot konden gaan liggen op het verse graf. Met groot resultaat: ze raakten eens en voorgoed van hun vieze geur af, maar helaas, vrouwelijke schoonheid is eindig, en toen keek er geen man meer naar hen om. Ze werden twee oude jonge dochters, vriendelijk tegen iedereen, zacht als goede boter, maar in hun nog altijd mooie ogen zwom het grijze kleurtje van de pijn, die overmijdelijk is wanneer je van je leven niet hebt kunnen maken wat je ervan droomde.
Beschrijving
Een tweeling kan niet aan de man komen, omdat beiden enorm stinken. De plaatselijke belezeres kan ook niet helpen, maar de lokale bisschop wel. Als hij komt te overlijden, moeten ze naakt op zijn graf gaan liggen en dan zal de stank verdwenen zijn. Het duurt echter lang voordat de bisschop overlijdt en nog langer voordat hij begraven wordt. Als de meiden eindelijk van hun stank verlost zijn, zijn de zo op leeftijd, dat geen man meer met hen wil trouwen.
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
25-02-2011 15:02
Naam Overig in Tekst
De Verdoolde Geit   
Petronella   
Annabel   
Belanna   
Trezebeze   
Rozemarie   
Naam Locatie in Tekst
Manten   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
