Hoofdtekst
In Wintelre moet vroeger, wel meer dan honderd jaar geleden, vlak bij de kerk, een onderaardse gang geweest zijn die uitmondde in een kelder. En in die kelder moest een weerwolf zitten. Niemand had het dier ooit gezien. Misschien waren er wel, maar die waren nooit teruggekomen. Mogelijk, want soms werd er wel eens iemand vermist.
Gevaarlijk dus, die kelder. Maar dat belette niet dat op zekere dag enkele jongelui besloten om ook eens een kijkje te gaan nemen. Op een avond waagden ze hun kans.
Het was een stormachtige herfstavond. Geen levend wezen was op de weg te herkennen dan de drie mannen op weg naar de onderaardse kelder. Tegen de nacht kwamen ze bij de onderaardse gang aan. Voorzichtig, voetje voor voetje, slopen ze door de gang, tot ze bij de kelder aankwamen. Toen gingen ze langzaam het verbrokkelde trapje af. Maar halverwege de trap zonk hun plotseling de moed in de schoenen en dicht bij elkaar bleven ze staan. Dat was hun geluk, zoals we verderop zullen lezen.
Het was benauwend stil in de kelder, en donker, pikdonker. Na enkele minuten reeds dachten ze al uren in de kelder te staan. Het liefst wilden ze direct maar weer terug naar buiten gaan, maar ze wilden zich voor elkaar niet laten kennen. En om zich een beetje moed in te praten, zeiden ze tot elkaar: ‘Er is natuurlijk niets, het zijn allemaal maar praatjes.’
Dan sloeg de toren van de dorpskerk zijn twaalf slagen en bij de zesde slag werd plotseling de kelder helverlicht. Toen de mannen aan het licht gewend waren, zagen ze midden in de kelder een grote, harige hond liggen met vurige ogen. Hij opende zijn muil en liet zijn sterke gele tanden zien. De hond richtte zich langzaam op en schudde woest de slaap van zijn lijf.
De mannen bleven als versteend van angst staan en, al zouden ze gewild hebben, ze konden niet weg.
Plotseling begon het hard te waaien en in de verte hoorden de mannen belgerinkel. Even later kwam er een grote zwarte koets aangereden, getrokken door twee zwarte paarden. Het waren hun kettingen die zo rammelden. De wagen reed regelrecht de gang in. Bij de kelder opende zich een muur en daar reed de wagen dwars doorheen. Toen sprong de vervaarlijke hond in de wagen en een helle lichtstraal achterlatend verliet de wagen met de hond door hetzelfde gat weer de kelder.
Nu wisten de mannen wel zeker in welk groot gevaar ze verkeerden en namen de benen, zo snel ze konden. Ze hadden de weerwolf gezien en zijn er dagenlang overstuur van geweest.
Gevaarlijk dus, die kelder. Maar dat belette niet dat op zekere dag enkele jongelui besloten om ook eens een kijkje te gaan nemen. Op een avond waagden ze hun kans.
Het was een stormachtige herfstavond. Geen levend wezen was op de weg te herkennen dan de drie mannen op weg naar de onderaardse kelder. Tegen de nacht kwamen ze bij de onderaardse gang aan. Voorzichtig, voetje voor voetje, slopen ze door de gang, tot ze bij de kelder aankwamen. Toen gingen ze langzaam het verbrokkelde trapje af. Maar halverwege de trap zonk hun plotseling de moed in de schoenen en dicht bij elkaar bleven ze staan. Dat was hun geluk, zoals we verderop zullen lezen.
Het was benauwend stil in de kelder, en donker, pikdonker. Na enkele minuten reeds dachten ze al uren in de kelder te staan. Het liefst wilden ze direct maar weer terug naar buiten gaan, maar ze wilden zich voor elkaar niet laten kennen. En om zich een beetje moed in te praten, zeiden ze tot elkaar: ‘Er is natuurlijk niets, het zijn allemaal maar praatjes.’
Dan sloeg de toren van de dorpskerk zijn twaalf slagen en bij de zesde slag werd plotseling de kelder helverlicht. Toen de mannen aan het licht gewend waren, zagen ze midden in de kelder een grote, harige hond liggen met vurige ogen. Hij opende zijn muil en liet zijn sterke gele tanden zien. De hond richtte zich langzaam op en schudde woest de slaap van zijn lijf.
De mannen bleven als versteend van angst staan en, al zouden ze gewild hebben, ze konden niet weg.
Plotseling begon het hard te waaien en in de verte hoorden de mannen belgerinkel. Even later kwam er een grote zwarte koets aangereden, getrokken door twee zwarte paarden. Het waren hun kettingen die zo rammelden. De wagen reed regelrecht de gang in. Bij de kelder opende zich een muur en daar reed de wagen dwars doorheen. Toen sprong de vervaarlijke hond in de wagen en een helle lichtstraal achterlatend verliet de wagen met de hond door hetzelfde gat weer de kelder.
Nu wisten de mannen wel zeker in welk groot gevaar ze verkeerden en namen de benen, zo snel ze konden. Ze hadden de weerwolf gezien en zijn er dagenlang overstuur van geweest.
Beschrijving
Jongens die gaan kijken of in een kelder, eindpunt van een onderaardse gang, een weerwolf verblijft zien om middernacht, bij de zesde van twaalf slagen dat de kelder wordt verlicht en dwars door de muur een een grote zwarte koets komt aanrijden, waar de grote zwarte hond met vurige ogen inspringt, waarop de koets weer verdwijnt.
Bron
B. Janssen: Het Dansmeisje en De Lindepater – Sagen en legenden uit Kempen, Meierij en Peel. Maasbree 1978, p.100-101.
Commentaar
1978
Naam Locatie in Tekst
Wintelre   
Plaats van Handelen
Wintelre (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
L224a   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
