Hoofdtekst
1.14. De zwarte hond
Op een winteravond ging een landbouwer te Oerle over een voetpad, dat door eene heg van een breeden zandweg gescheiden was. Eensklaps zag hij tegenover zich aan de andere zijde der heg een grooten zwarten hond voortstappen. De man bleef stilstaan, de hond insgelijks; hij ging weder voort, de hond eveneens. De boer wist van hooren zeggen, dat 't op die plaats spookte en hij begreep dus, met welken vijand hij te doen had, doch daar hij nog al voor geen kleintje vervaard was, sneed hij een dikken stok af en besloot zich geducht te verweren. De hond werd intusschen gaandeweg al grooter en grooter en had eindelijk de afmetingen van een veulen. Het kwam evenwel niet tot eene ontmoeting: voordat de boer de plaats bereikte, waar het voetpad op den rijweg uitloopt, bleef het spook achter en verdween.
Op een winteravond ging een landbouwer te Oerle over een voetpad, dat door eene heg van een breeden zandweg gescheiden was. Eensklaps zag hij tegenover zich aan de andere zijde der heg een grooten zwarten hond voortstappen. De man bleef stilstaan, de hond insgelijks; hij ging weder voort, de hond eveneens. De boer wist van hooren zeggen, dat 't op die plaats spookte en hij begreep dus, met welken vijand hij te doen had, doch daar hij nog al voor geen kleintje vervaard was, sneed hij een dikken stok af en besloot zich geducht te verweren. De hond werd intusschen gaandeweg al grooter en grooter en had eindelijk de afmetingen van een veulen. Het kwam evenwel niet tot eene ontmoeting: voordat de boer de plaats bereikte, waar het voetpad op den rijweg uitloopt, bleef het spook achter en verdween.
Onderwerp
SINSAG 0361 - Spuktier, das immer grösser wird, erschreckt Mann.
  
Beschrijving
Grote zwarte hond die steeds groter wordt loopt een eind met man mee.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Noord Brabant, Utrecht [etc.]: Het Spectrum, 1980. p. 23
Motief
G303.3.3.1.1.a   
G303.3.3.1.1.a   
E251.2 - Vampire brought to life.   
Commentaar
1889
Motieven: G303.3.3.1.1.a Devil in form of black dog; F401.3.3 Spirit as black dog; E251.2 Ghost of dog.
NA 1889: 189-190. Bewerking: Kleyntjes & Knippenberg 1926: 71-72; Sinninghe 1933: 76 (no. 101), 1964: 58, Rijken 1975c. S.S361.3; LS B101 Wesen in Tiergestalt: schwarzer Hund.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
NA 1889: 189-190. Bewerking: Kleyntjes & Knippenberg 1926: 71-72; Sinninghe 1933: 76 (no. 101), 1964: 58, Rijken 1975c. S.S361.3; LS B101 Wesen in Tiergestalt: schwarzer Hund.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
Spuktier, das immer grösser wird, erschreckt Mann.
Naam Locatie in Tekst
Oerle   
Plaats van Handelen
Oerle (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
L224p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
