Hoofdtekst
1.21. Nog meer 'gloeiigen'
Wat hier voor 'een gloeiige' wordt gehouden noemt men ook
wel 'een stalkaarsje'. Gewoonlijk vertoonen zich deze lichtjes, dwaallichtjes, op plaatsen waar de bodem moerassig is en zijn, naar 'men' beweert in deze streken geene zeldzaamheid. De op en neergaande beweging, het plotseling komen en verdwijnen bij avond in een eenzaam moeras of op de uitgestrekte, naakte heide geven er iets geheimzinnigs, iets bovennatuurlijks aan. Velen in deze streken meenen in die 'stalkaarsjes' zieltjes te zien van ongedoopte kinderen. Dit bijgeloof vindt mogelijk zijn grond hierin, dat zulke lichtjes ook wel op kerkhoven verschijnen als blauwachtige vlammetjes, die over den doodenakker zweven en daarom allicht gehouden werden voor de zieltjes van ongedoopte kindertjes, die gedoemd zijn aldus te blijven rondwaren. In Limburg ook heerscht ditzelfde bijgeloof, doch daar heeten die lichtjes 'dwaasleechtjes' (leechtje = lichtje) of 'veurmenneken' (veur = vuur). En Grimm, de sprookjesverteller bij uitnemendheid heeft ze immers in zoo menig aardig vertelsel opgevoerd. Het volgende voorval heeft men mij in de Acht-Zaligheden verhaald. Een reiziger, die omstreeks het middernachtelijk uur (heel natuurlijk, want dit is het geliefkoosde uur voor dwaallichten, heksen, spoken, katten enz.) in een moeras verdwaalde, zIet op eens een 'stalkaarsje' op zich af komen. Hij ook had wel meermalen hooren zeggen, dat zulke lichtjes de zielen waren van ongedoopte kinderen, en - half uit angst (mogelijk wel voor negen tiende) half uit medelijden bood de goede man zijne diensten aan. Nu echter kwamen er van alle kanten dwaallichtjes, ongedoopte kinderzieltjes, aanzweven, om ook den doop te ontvangen; en eerst toen de morgenschemering aanbrak en de arme sukkel zijnen arm van vermoeidheid niet meer kon opheffen, zag hij het laatste lichtje opwaarts rijzen.
Wat hier voor 'een gloeiige' wordt gehouden noemt men ook
wel 'een stalkaarsje'. Gewoonlijk vertoonen zich deze lichtjes, dwaallichtjes, op plaatsen waar de bodem moerassig is en zijn, naar 'men' beweert in deze streken geene zeldzaamheid. De op en neergaande beweging, het plotseling komen en verdwijnen bij avond in een eenzaam moeras of op de uitgestrekte, naakte heide geven er iets geheimzinnigs, iets bovennatuurlijks aan. Velen in deze streken meenen in die 'stalkaarsjes' zieltjes te zien van ongedoopte kinderen. Dit bijgeloof vindt mogelijk zijn grond hierin, dat zulke lichtjes ook wel op kerkhoven verschijnen als blauwachtige vlammetjes, die over den doodenakker zweven en daarom allicht gehouden werden voor de zieltjes van ongedoopte kindertjes, die gedoemd zijn aldus te blijven rondwaren. In Limburg ook heerscht ditzelfde bijgeloof, doch daar heeten die lichtjes 'dwaasleechtjes' (leechtje = lichtje) of 'veurmenneken' (veur = vuur). En Grimm, de sprookjesverteller bij uitnemendheid heeft ze immers in zoo menig aardig vertelsel opgevoerd. Het volgende voorval heeft men mij in de Acht-Zaligheden verhaald. Een reiziger, die omstreeks het middernachtelijk uur (heel natuurlijk, want dit is het geliefkoosde uur voor dwaallichten, heksen, spoken, katten enz.) in een moeras verdwaalde, zIet op eens een 'stalkaarsje' op zich af komen. Hij ook had wel meermalen hooren zeggen, dat zulke lichtjes de zielen waren van ongedoopte kinderen, en - half uit angst (mogelijk wel voor negen tiende) half uit medelijden bood de goede man zijne diensten aan. Nu echter kwamen er van alle kanten dwaallichtjes, ongedoopte kinderzieltjes, aanzweven, om ook den doop te ontvangen; en eerst toen de morgenschemering aanbrak en de arme sukkel zijnen arm van vermoeidheid niet meer kon opheffen, zag hij het laatste lichtje opwaarts rijzen.
Onderwerp
SINSAG 0181 - Die getauften Irrlichter   
TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)   
Beschrijving
Verklaring voor dwaallichten, die gezien worden als de zielen van ongedoopte kinderen die moeten rondwaren. Rond middernacht ziet reiziger een dwaallicht op zich afkomen die hij uit mededelijden en angst doopt. Er komen zoveel andere dwaallichtje op af dat hij pas 's morgens het laatste lichtje ziet wegzweven.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Noord Brabant, Utrecht [etc.]: Het Spectrum, 1980. p. 25-26
Motief
E742.2 - Soul as will-o-the-wisp.   
Commentaar
1889
Motief: E742.2 Soul as will-o-the-wisp.
NA 1889: 195-197.Vermelding: Sinninghe 1964: 39, 1978: 21. S.S181.4; LS B151 Lichterscheinung.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
NA 1889: 195-197.Vermelding: Sinninghe 1964: 39, 1978: 21. S.S181.4; LS B151 Lichterscheinung.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
Die getauften Irrlichter. Vorübergehender, von Irrlichtern nach einem Sumpf gelockt, muss sie taufen, bis die Sonne aufgeht (stirbt, nachdem alle getauft sind) & SINSAG 0182 Wiedergänger als Irrlicht
Naam Overig in Tekst
Acht-Zaligheden   
Naam Locatie in Tekst
Limburg   
Grimm   
