Hoofdtekst
Van wonderlike, godlike claerheit ende soeticheit die bi haer wort ghevonden. Ca. XV
Overmids dese voerseide uutsceydinghe ende des ynghels teghenwordicheit wert dicwile by haer ghevonden groote godlike claerheit ende soeticheit by daghe ende by nachte. Die claerheit die bi nachte by haer wort ghevonden, die was also groot dat die ghene die by haer quamen ende dat saghen, van grooter verveernisse wech liepen, want si hadden ghemeent dat die camer hadde ghebrant of vol hadde gheweest van berrende keerssen. Natuerlijc licht en mochte si niet sien, maer dat godlicke licht was haer seere minlike te siene. Sij hadde een neefkin, gheheeten Boudin, die haer des daechs ende des nachts plach te dienen. Ende dat was by wilen seere vervaert vanden lichte, soe dat hi by wilen van haer liep. Mer si riept weder ende troostet ende hiet hem datet niet en soude wech gaen.
Op eenen anderen tijt - op Onser Liever Vrouwen Ont[224Rb]fanghenisse ende Hoochtijt - so openbaerde haer die ynghel Gods met grooter claerheit ende voerseide haer, dat si binnen dat XVIIste jaer harer siecten soude Onsen Heere lichamelike sien met haren lichameliken ooghen. Ende dat ghesciede corts daer na des daghes voer Sente Thomaes avont alst int naeste capittel wordet gheseit. Dese claerheit saghen somighe menschen bi nachte die voer in haer huus woenden ende waren seere vervaert, want si meenden dat Liedwijs camer hadde ghebrant, als hier na bescreven es.
Groote godelike ende suete roke wort menichwerf by haer gheroken als si versocht was of aenghetast van Onsen Lieven Heere, of vanden ynghel, of als si quam vander hemelscher vroechden of van des aertsche paradijs vroechden ende onsprekeliker weelden. Ende die soeticheit was also groot ende openbaer dat die ghene diese roken, meynden dat in die camer hadde gheweest costelike, welriekende crude. Welken soeten roke en ghevoelden si niet alleen ten nase, mer metten monde ende op die tonghe, recht of si ghingbeer of peper of caneel haddeno gheten. Ende al was des nachts haren lichame vervult [224Va] met wonden ende met wormen die daer uutvloyden ende gheheven vanden water ende daer om natuerlijcke soude hebben ghestoncken, nochtans en ghinc daer gheenen stanc uut of quaden roke, mer seer sueten roke ende sonderlinghe van haerer hant alsi vanden ynghel daer by was gheleyt tot der vroechden des ewichs levens of des paradijs, als menich mensche ondervonden heeft.
Bi wilen quam Onse Lieve Heere met veel ynghelen ende heileghen in haer camer - gheliken als een coninc of een keyser met haren prinsen - Hem setten ten eten aen een tafel. Also sat Onse Lieve Heere by haeren bedde ende die andere heyleghen by Hem ende versaedese met Godliker ende hemelscher spijsen.
Overmids dese voerseide uutsceydinghe ende des ynghels teghenwordicheit wert dicwile by haer ghevonden groote godlike claerheit ende soeticheit by daghe ende by nachte. Die claerheit die bi nachte by haer wort ghevonden, die was also groot dat die ghene die by haer quamen ende dat saghen, van grooter verveernisse wech liepen, want si hadden ghemeent dat die camer hadde ghebrant of vol hadde gheweest van berrende keerssen. Natuerlijc licht en mochte si niet sien, maer dat godlicke licht was haer seere minlike te siene. Sij hadde een neefkin, gheheeten Boudin, die haer des daechs ende des nachts plach te dienen. Ende dat was by wilen seere vervaert vanden lichte, soe dat hi by wilen van haer liep. Mer si riept weder ende troostet ende hiet hem datet niet en soude wech gaen.
Op eenen anderen tijt - op Onser Liever Vrouwen Ont[224Rb]fanghenisse ende Hoochtijt - so openbaerde haer die ynghel Gods met grooter claerheit ende voerseide haer, dat si binnen dat XVIIste jaer harer siecten soude Onsen Heere lichamelike sien met haren lichameliken ooghen. Ende dat ghesciede corts daer na des daghes voer Sente Thomaes avont alst int naeste capittel wordet gheseit. Dese claerheit saghen somighe menschen bi nachte die voer in haer huus woenden ende waren seere vervaert, want si meenden dat Liedwijs camer hadde ghebrant, als hier na bescreven es.
Groote godelike ende suete roke wort menichwerf by haer gheroken als si versocht was of aenghetast van Onsen Lieven Heere, of vanden ynghel, of als si quam vander hemelscher vroechden of van des aertsche paradijs vroechden ende onsprekeliker weelden. Ende die soeticheit was also groot ende openbaer dat die ghene diese roken, meynden dat in die camer hadde gheweest costelike, welriekende crude. Welken soeten roke en ghevoelden si niet alleen ten nase, mer metten monde ende op die tonghe, recht of si ghingbeer of peper of caneel haddeno gheten. Ende al was des nachts haren lichame vervult [224Va] met wonden ende met wormen die daer uutvloyden ende gheheven vanden water ende daer om natuerlijcke soude hebben ghestoncken, nochtans en ghinc daer gheenen stanc uut of quaden roke, mer seer sueten roke ende sonderlinghe van haerer hant alsi vanden ynghel daer by was gheleyt tot der vroechden des ewichs levens of des paradijs, als menich mensche ondervonden heeft.
Bi wilen quam Onse Lieve Heere met veel ynghelen ende heileghen in haer camer - gheliken als een coninc of een keyser met haren prinsen - Hem setten ten eten aen een tafel. Also sat Onse Lieve Heere by haeren bedde ende die andere heyleghen by Hem ende versaedese met Godliker ende hemelscher spijsen.
Beschrijving
15. De wonderbaarlijke, goddelijke lichtglans en aangename geur die Liedewij omgaven
Ten gevolge van deze uittredingen en de aanwezigheid van de engel kon men dikwijls - zowel overdag als 's nachts - een heldere, goddelijke lichtglans en aangename geur rond Liedewij waarnemen. Het licht dat haar 's nachts omgaf, was zo fel, dat degenen die bij haar kwamen, doodsbang wegliepen, omdat ze dachten dat de kamer in lichterlaaie stond of vol stond met brandende kaarsen. Liedewij kon niet tegen het gewone, natuurlijke licht, maar het goddelijke licht was haar een weldaad. Haar neefje Boudewijn, dat haar voortdurend verzorgde, was soms bang voor dat licht en vluchtte dan hij van haar weg. Liedewij riep hem echter steeds terug, troostte hem en zei hem te blijven.
Op Maria-Ontvangenis [8 december] verscheen de engel Gods haar in een felle lichtglans en voorspelde dat ze in het zeventiende jaar van haar ziekte [1412] Christus, tastbaar aanwezig, met eigen ogen zou aanschouwen.
Om Liedewij hing dikwijls een sterke, goddelijke en zoete geur, nadat zij bezocht of aangeraakt was door Onze Lieve Heer of door de engel, of na haar terugkeer uit de hemelse zaligheden of de onuitsprekelijke vreugden van het aardse paradijs.
Soms begaf Onze Lieve Heer Zich met een schare engelen en heiligen in haar kamer ter tafel. Als een koning of keizer met zijn gevolg zat Hij dan met Zijn heiligen aan haar bed en voedde haar met goddelijke en hemelse spijzen.
Ten gevolge van deze uittredingen en de aanwezigheid van de engel kon men dikwijls - zowel overdag als 's nachts - een heldere, goddelijke lichtglans en aangename geur rond Liedewij waarnemen. Het licht dat haar 's nachts omgaf, was zo fel, dat degenen die bij haar kwamen, doodsbang wegliepen, omdat ze dachten dat de kamer in lichterlaaie stond of vol stond met brandende kaarsen. Liedewij kon niet tegen het gewone, natuurlijke licht, maar het goddelijke licht was haar een weldaad. Haar neefje Boudewijn, dat haar voortdurend verzorgde, was soms bang voor dat licht en vluchtte dan hij van haar weg. Liedewij riep hem echter steeds terug, troostte hem en zei hem te blijven.
Op Maria-Ontvangenis [8 december] verscheen de engel Gods haar in een felle lichtglans en voorspelde dat ze in het zeventiende jaar van haar ziekte [1412] Christus, tastbaar aanwezig, met eigen ogen zou aanschouwen.
Om Liedewij hing dikwijls een sterke, goddelijke en zoete geur, nadat zij bezocht of aangeraakt was door Onze Lieve Heer of door de engel, of na haar terugkeer uit de hemelse zaligheden of de onuitsprekelijke vreugden van het aardse paradijs.
Soms begaf Onze Lieve Heer Zich met een schare engelen en heiligen in haar kamer ter tafel. Als een koning of keizer met zijn gevolg zat Hij dan met Zijn heiligen aan haar bed en voedde haar met goddelijke en hemelse spijzen.
Bron
Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam. (Ed. Ludo Jongen en Cees Schotel). Verloren, Hilversum 1994 (tweede druk).
Commentaar
ca. 1435
Dit verhaal is per hoofdstuk ingevoerd. Er zijn 44 hoofdstukken. <br>
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Naam Overig in Tekst
Liedewij   
Bouwewijn   
Maria-Ontvangenis   
God   
Christus   
Sint-Thomasavond   
Plaats van Handelen
Schiedam (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
K003p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
