Hoofdtekst
Toen het kasteel met zijne sterke muren en hechte torens nog den omtrek beheerschte en het wapengekletter hier bijna niet van de lucht was in ridderlijke spelen of bittere veeten, leefden er op het slot twee broeders, Walram en Reginald. Beiden dongen zij naar de hand van de schoone Alix, de dochter van den graaf van Kleef.
Walram werd te slotte de gelukkige bruidegom.
Het huwelijk had plaats na wekenlange voorbereiding van allerlei feestelijkheden, want de heeren van Valkenburg stonden in hoog aanzien en voerden heerschappij over een uitgestrekte en welvarende landstreek. In de zalen van de burcht werden de noodige herstellingen gedaan; kostbare kussens voor de banken en kleurige tapijten voor de wandversiering had men elders laten aankoopen; koper en zilver blonk overal in stralende schittering. Het moest een heuglijke dag worden, waarvan de herinnering jarenlang zou voortleven onder het volk, de huwelijksdag van Walram van Valkenburg.
Van de naburige kasteelen kwamen de gasten in grooten getale: fiere ridders met een talrijk gevolg van pages en schildknapen, roemruchtige jonkvrouwen in bonten toover van kostbare kledij flonkerend van sieraden en edelgesteente. Telkens en telkens weer toog een stoet de poort binnen over de zware ophaalbrug, zoodat het voorplein wemelde van dienstvolk, aan wie de zorg voor herberging der knechten en stalling der dieren bevolen was. Allerlei geruchten geluidden er dooreen, en het was een geloop en gedraaf, een drukte en beweging, dat men niet begreep, hoe hierin orde te brengen was. Maar ieder kende zijn taak en kweet zich plichtmatig van zijn last onder het waakzaam oog der opzichters, die links en rechts hunne bevelen uitdeelden.
De bruiloft had een prachtig verloop, Ieder was vol lof over de ontvangst en de gulle gastvrijheid, er genoten. Met welgevallen luisterde het jonge echtpaar naar de heilwenschen en toasten, op hun toekomstig geluk uitgebracht. De zangers en muzikanten zorgden voor afwisseling bij den maaltijd door het voordragen van sproken en liederen, terwijl harp- en fluit- en vedeltonen in rythmische akkoorden ruischten door de groote zaal.
Slechts één was er, die zich ergerde aan dien blijden jubel. Dat was Reginald. Hij misgunde zijn broeder het geluk, dat hem ten deel viel. Nijd en wraakzucht versomberden zijn geest en gemoed. Hij beraamde een afschuwelijk plan.
Na afloop der bruiloft, toen het jonge paar zich ter ruste had begeven, sloop Reginald, die zich in de slaapkamer verborgen had, uit zijn schuilhoek te voorschijn en doorboorde met een dolk Walram en zijne echtgenoote de borst. Alix was onmiddellijk dood. Maar Walram, den dolksteek voelende, tastte met z'n rechterhand naar de toegebrachte wonde. terwijl hij trachtte den moordenaar te grijpen, raakte hij met zijn van bloed druipende vuist dezen vlak in het gezicht. Dan poogde hij zich op te richten, maar, uitgeput door bloedverlies, zonk hij machteloos neer.
Reginald vervoerde heimelijk langs een donkere trap de twee lijken naar een der kelderkrochten onder het kasteel, sneed een lok van Alix' blonden haartooi, en vlood, door de duisternis van den nacht begunstigd, uit den burcht de glooiende heuvelhelling af.
Den volgenden morgen werd de misdaad ontdekt. De vreugdige uitgelatenheid van den vorigen avond was plotseling in rouw en jammer verkeerd. Tevergeefs zocht men naar de lijken der verslagenen. Maar niemand twijfelde aan de schuld van Reginald, op wien nog sterker de verdenking viel, toen het bleek, dat hij het kasteel was ontvlucht.
In een van de bosschen daar in de buurt leefde toen een vrome kluizenaar. Hij had zich van de wereld afgezonderd om in boetedoening en gebed zijn Schepper beter te kunnen dienen. Levend van aalmoezen en van hetgeen hij des zomers zelf verbouwde op den kleigrond, bracht hij vele uren met bidden en meditatie door in de schamele kapel, die hij er zelf had opgetrokken.
Terwijl hij op het punt stond zich ter ruste te begeven - want het was reeds middernacht - werd plotseling aan de deur zijner kluis geklopt, en een zware mannenstem vroeg om toegelaten te worden.
Wie zou op dit late uur nog zijn gastvrijheid of hulpkomen zoeken?
Zeker een verdwaalde reiziger of een landlooper, die geen onderdak kon vinden.
De kluizenaar opende de deur en herkende in den nachtelijken bezoeker tot zijn verbazing den machtigen Reginald.
Deze zonk voor den verwonderden heremiet op de knieën onder luide snikken en bitter geween. Hij vertelde de misdaad, waaraan hij zich had schuldig gemaakt, en toonde jammerend op zijn gelaat den afdruk der bebloede hand, waarvan hij tevergeefs getracht had zich te zuiveren. Dat was het Kaïnsteken, het vloekteeken zijner snoode euveldaad.
Deernis met den rampzaligen edelman, die hier als een verworpeling voor zijne voeten kroop en hem om medelijden en raad smeekte, vervulde den kluizenaar.
“Vriend,” sprak hij! “Uwe misdaad is groot. Dezen nacht kunt gij hier onder mijn dak blijven. Ik zal dan tot God bidden, dat Hij mijn geest verlicht, zoodat ik u raden kan, wat er geschieden moet tot uitboeting uwer gruwzame zonde.”
Bij het aanlichten van den morgen, toen het rozerood van den dageraad zich hechtte aan de toppen der boomen van het droomvol bosch en een frisch koeltje de dauwdruppels van blad en bloemenkelk deed spatten, luidde de heremiet zijn klingelend klokje voor het Ave van den uchtend, en dan begaf hij zich tot Reginald die, na lang heen en weer gewoeld te hebben op zijn strooleger, reeds ontwaakt was uit een korten door benauwende droomen verontrusten slaap.
Hij sprak tot hem:“Dit is Gods wil, dat gij als pelgrim van hier aldoor noordwaarts gaat, totdat gij geen grond meer onder de voeten voelt. Zijt ge zoo ver, dan zal u een nadere aanwijzing gegeven worden. Eerst zult gij nu een poos bidden in de kapel.”
Reginald begaf zich daarheen, knielde voor het altaar en bad.
Spoedig daarop verliet reginald, in boetekleed gehuld en met den pelgrimsstaf in de hand, de kluis en toog op weg in noordelijke richting, zoals hem gezegd was.
Maar zoodra hij zich buiten bevond, bemerkte hij, dat hij begeleid werd door twee vreemde wezens: een zwarte gedaante schreed aan zijn linker zijde voort, een witte aan zijn rechter, een booze en een goede geest. De booze sprak hem over aardsche genietingen, die voor hem openstonden en streelende afleiding zouden geven aan zijn verontrusten geest en gefolterd hart, de goede over de ijdelheid der aardsche dingen en dat 's menschen bestemming niet hier ligt, maar in het hiernamaals, waar hij loon naar werken zal krijgen.
Zoo werd Reginald gewikkeld in een zwaren zelfstrijd, want beurtelings rezen goed en kwaad in verlokkende vormen voor hem op, geloofd en gelaakt, aanbevolen en misprezen. In dien kamp moest hij gelouterd worden van het verkeerde, dat hem aankleefde.
Intussen reisde hij verder, altoos in noordelijke richting, zijn nooddruft bedelend langs de huizen en hoeven, zich verstervend en spot en verachting verdurend zonder morren tot uitboeting van wat hij, door hartstocht vervoerd, misdreef. Hij toog voort dag-in dag-uit, vele weken lang, bepeinzend de beteekenis van de raadselachtige woorden van den kluizenaar, dat hij noordwaarts moest gaan, totdat hij grond meer onder de voeten zou voelen.
Op zekeren avond hoorde hij van verre het geruisch van de zee, en na eenigen tijd stond hij aan het strand van de geweldige watermassa, die klakkend met rustelooze woeling van deinende golven zich in eindelooze verte voor zijne oogen uitstrekte, somber-donker en grauwig-vaal. Hij zag een boot naderen die zonder bemanning was. Terwijl hij verbaasd staarde op dit zonderlinge verschijnsel, hoorde hij een stem die sprak:“Aan boord! Dit is voor u bestemd. Wij wachten u.”
Nu begreep hij de beduidenis van wat de heremiet hem gezegd had. Dit was de nadere aanwijzing waarvan de kluizenaarswoorden gewaagden.
Reginald begaf zich in de boot. De twee geesten volgden hem.
Zoodra hij ingestegen was, dreef de boot weg van den oever tot bij een groot schip dat op eenigen afstand in zee lag.De romp was zwart als van ebbenhout; grauw ook waren de zeilen en al het touwwerk. Er stond geen naam op, noch eenig ander herkenningsteken. Een sombere mist nevelde eromheen.
Opeens voelde Reginald zich door een onzichtbare hand omhoog tillen. Eenige ogenblikken later bevond hij zich aan boord van het groote vaartuig in een holle ruimte. Hier stond een tafel met drie stoelen. De zwarte en de witte gedaanten gingen zitten en noodigden Reginald uit op den derden stoel plaats te nemen. Toen deze aan het verzoek had voldaan, bemerkte hij dat het schip wegdreef. Maar hem werd geen tijd gelaten om hierover verder na te denken. Want de zwarte gedaante tegenover hem wierp drie dobbelsteenen op tafel en noodigde hem uit te spelen, terwijl hij sprak:“We zullen nu om uwe ziel dobbelen tot den jongsten dag.”
Zonder stuurman vaart sindsdien het spookschip over de woelige wateren van den wijden oceaan. Waar het zich bevindt, staat de zee hol onder bulderend windgeraas, terwijl de golven lillend omhoog spatten. Niemand bespeurt men aan dek. Aan boord is het doodstil. De aschgrauwe zeilen bollen bij het fluiten van den jagenden stormwind, terwijl het rusteloos voortgezweept wordt van het eene eind der wereld naar het ander, in zijn wilde vaart verlicht door blauwachtige vlammen, flitsflikkerend met schampend licht langs raas en masten.
De zeelui vreezen zijn nabijheid en trachten het betooverde schip te ontwijken. Want wie den “Vliegenden Hollander” ontmoet wacht onheil op zijn verderen tocht. Vandaar dat elk verkeer met het gevloekte vaartuig angstvallig wordt gemeden en dat de zeeman zich kruist en een gebed prevelt, zoodra hij in de verte de vale zeilen bespeurt in den gierenden wervelwind.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Walram   
Reginald   
Schepper   
God   
Vliegende Hollander   
Kaïnsmerk   
Naam Locatie in Tekst
Valkenburg   
Alix   
Kleef   
Plaats van Handelen
Valkenburg (Limburg)   
Kloekenummer in tekst
Q101p   
